nl fr en

Een object met vier gezichten

Ruim twee weken voor de première van Romeo & Julia van Mokhallad Rasem wordt de laatste hand gelegd aan het decor. Een gesprek met beeldend kunstenaar en scenograaf Jean Bernard Koeman, over de mogelijkheden van een decor en de schoonheid van beeldende kunst. “Eén van mijn principes in het maken van een scenografie is dat het materiaal diverse dingen zegt, zoals een acteur ook twee gezichten kan hebben.”

Sinds enkele dagen staat een deel van het decor op de repetitiezolder van de Bourla, in plaats van het houten model waar tot nu toe mee werd gerepeteerd. “The real thing”, zegt ontwerper Jean Bernard trots. De eerste repetitie met dit echte ding verliep nog een beetje onwennig, maar het enthousiasme bij Mokhallad, de spelers en de technici is duidelijk voelbaar. Daan, de jongste Romeo, kan niet wachten om erop te klimmen en de dansers proberen direct hun scènes uit. Aan het einde van de middag, wanneer ik met ontwerper Jean Bernard aan tafel zit, hebben we het over de inspiratie en mogelijkheden die zijn decor biedt. Daar is het hem om te doen. “Uiteindelijk probeer ik altijd mogelijkheden te geven, voor de dynamiek, in betekenis en in de fysieke lijnen aan de dansers of de acteurs.”

Jean Bernard is in de eerste plaats beeldend kunstenaar, maar heeft als scenograaf inmiddels een elftal voorstellingen op zijn naam staan. Hij werkt al jarenlang samen met Abke Haring en met Koen Augustijnen van het gezelschap Les Ballets C de la B. “Ik kende het werk van Jean Bernard”, vertelt Mokhallad, “Ik vind het vooral interessant hoe door zijn abstractie een object andere betekenis kan krijgen.” Toen Mokhallad op zijn atelier langs kwam, was er direct een klik en ontstonden er plannen. “Maar voor mij was het ook wel spannend”, vertelt Jean Bernard. “Want ik had nog niet eerder een scenografie gemaakt voor een bestaand stuk. Zowel met Koen Augustijnen als Abke Haring werk ik heel nauw samen in de ontwikkelingen van een beeld, van de wereld waarin de voorstelling zich afspeelt. Dit was natuurlijk een klassieke theatertekst.” Al snel begreep Jean Bernard dat Mokhallad zijn eigen draai zou gaan geven aan het verhaal van Shakespeare. “Wat ik mooi vind aan deze voorstelling is dat het een gefragmenteerd geheel is. Er wordt steeds ingezoomd op een dans of een ruzie, en vervolgens weer uitgezoomd waardoor je telkens weer de gehele  voorstelling ziet.” 

Mokhallad vertelde Jean Bernard onder andere over de afgebrande auto die hij vorig jaar zag staan in Bagdad (zie ook de reportage van vorige week), en hoe die plots een heel andere betekenis kreeg toen hij besefte dat het de auto van de buren was. Het koppel dat altijd samen ging rijden kwam zomaar op een dag door een autobom om het leven, en de auto stond er nog altijd. Dat verhaal, en het fragmentarische karakter van de voorstelling lagen aan de basis van het decorontwerp. “Voor een decor probeer ik altijd dingen betekenisvol in hun betekenisloosheid te laten zijn. Niets is eenduidig. Dit is één object met vier gezichten. Het blijft hetzelfde object, maar elke zijde heeft een andere identiteit en geeft daardoor een heel andere betekenis.”

Tijdens de eerste repetities met het decor geniet Jean Bernard zichtbaar van de Romeo's en Julia's die met Mokhallad hun scenes uitproberen, en weer nieuwe ideeën krijgen. Is zijn werk als beeldend kunstenaar heel anders?
“Eigenlijk houd ik niet van leugens over materiaal. Daarom gebruik ik materiaal altijd als wat het is. Maar theater is een soort facade, en dat is iets heel anders dan het soort werkelijkheid die ik nastreef in mijn beeldend werk. Dan vertel ik een verhaal met elementen uit de werkelijkheid, en creëer daarmee ware ficties. Dat is wel eens aanpassen geweest bij maken van scenografiëen.
“Nu heb ik een manier gevonden die mij als beeldend kunstenaar tot contentheid stemt, en waarin ik weet wat ik kan doen. Het samenwerken vind ik heel interessant aan theater. Het is altijd een compromis, en dat is natuurlijk anders in mijn eigen werk. In een autonoom kunstwerk spreekt het materiaal alleen tot jou als één toeschouwer. Of een object betekenis genereert en een relatie heeft met een toeschouwer is altijd maar afwachten. Want dat autonome object moet het wel alleen dragen, in zijn stilte en onbeweeglijkheid. Dat is de ongelooflijke schoonheid van beeldende kunst en tevens haar zwakte. En dat vind ik ook het wonderbaarlijke.”

Door Roos Euwe

Ook interessante producties: