nl fr en

Wat je niet weet

een persoonlijk essay van Annelies Beck n.a.v. 'April'

Journaliste Annelies Beck licht toe hoe de Eerste Golfoorlog haar leven en carrière op een beslissend spoor zette.


Dagboek.

Toen Irak op 2 augustus 1990 Koeweit binnenviel, was ik zeventien. In mijn dagboek vind ik pas een verwijzing naar de internationale spanning die door dat manoeuvre is ontstaan op 19 januari 1991: “Ik neem de draad weer op alsof er intussen geen Golfoorlog is uitgebroken die ik wil volgen.” Er was veel gaande in mijn leven in die periode. Ik bracht augustus door op kot in Gent voor de repetities van een toneelstuk waar ik in meespeelde. Dat najaar voerden we Grondbeginselen, in een regie van Guy Cassiers, zo goed als elk weekend ergens te lande op, tot in Amsterdam. Bovendien zat ik in het laatste jaar van het middelbaar én bereidde ik me voor op een uitwisselingsjaar in het buitenland, een hartverscheurende en meedogenloze beslissing want daarbij liet ik mijn grote liefde achter. Afgaand op dat ene zinnetje in mijn dagboek, zo lang na de inval in Koeweit en twee dagen nadat de internationale coalitie onder leiding van Amerika op haar beurt Irak binnenviel, moet je wel concluderen dat de Golfoorlog me nauwelijks bezighield. Ik had andere dingen aan mijn hoofd! En toch is precies het omgekeerde waar: het was de wissel die mijn leven op een beslissend spoor zette.

Grondbeginselen.

Of we die augustusmaand in Gent veel over de inval in Koeweit gesproken hebben, herinner ik me gek genoeg niet meer. Een bende late tieners die elkaar vooraf niet kenden, verdiepte zich in elkaar en in een bewerking van een roman van Robert Walser met het oog op een echte voorstelling, professioneel omkaderd. De bewerking droeg niet toevallig de titel Grondbeginselen, een verwijzing naar de gelijknamige tekst waarin het Vlaams Blok in 1977 de grote lijnen van zijn ideologie had vastgelegd. De tekst - ik schrijf bewust niet ‘het verhaal’ - die wij opvoerden ging over de verhouding tussen leerling Jakob Von Gunten en de juf en directeur van het strikte Benjamenta Instituut (een opleiding voor butlers) waar alles zich afspeelde. Een tekst over burgerlijke moraal, verborgen verlangens, de onmogelijkheid je uit te spreken of te bestaan, en de grenzen van aanvaardbare gehoorzaamheid. Het moet gezegd, wij, de troupe, begrepen zelf niet altijd helemaal waar het stuk over ging en waarom de tekst verknipt was. We speelden geen afgelijnde personages, maar namen afwisselend elk uitspraken van Jakob, de juf of de directeur in de mond zonder dat overigens altijd duidelijk was wie aan het woord was. Hoe werkten tekst en inleving (of was dat niet de bedoeling?), ontdaan van handvatten als karakter en verhaal-gedreven handeling? Ook de enscenering vergde het uiterste van ons (en van een deel van het publiek, vermoed ik): kleine, beweeglijke lampjes verlichtten slechts delen van het speelvlak en van onze gezichten, we fluisterden met onze rug naar het publiek in microfoontjes in de muur of schreeuwden zinnen in hun gezicht. Hoe lees je zo’n voorstelling? Gaat het om wat er wordt gezegd of om wat niet wordt gezegd? We waren jong en enthousiast maar niet bang. We gingen in de contramine: we daagden schrijver en regisseur uit, onze denkkaders kraakten, én we hadden de tijd van ons leven.

Bezeten.

Wat me wel nog scherp voor de geest staat, is mijn lerares geschiedenis die in de herfst van 1990 in de les zei: “Ik heb vertrouwen in Pérez De Cuéllar, de secretaris-generaal van de VN. Hij moet een oplossing kunnen bemiddelen.” Zij stimuleerde discussies over de dreigende oorlog; over de zin en onzin van resoluties en over waarom ingrijpen wel of niet gerechtvaardigd was. Van al die uren praten bleef die ene uitspraak hangen; omdat die beantwoordde aan mijn eigen nood aan geruststelling, aan het idee dat het afwenden van een oorlog nog mogelijk was? Of is het omdat ik gefascineerd was door het feit dat zij, een volwassene, blijkbaar ook dat houvast zocht?

Thuis las en keek en beluisterde ik in die maanden voor het losbarsten van Operatie Desert Storm alles wat van ver of dichtbij te maken had met de Golfoorlog, die toen nog niet zo heette. Dat was geen straf; lezen en schrijven waren het liefste wat ik deed. Het radionieuws en het televisiejournaal waren vaste prik thuis. Ik ben opgegroeid met de stemmen van journalisten als Jef Lambrecht en Martine Tanghe; rapporterend als van op een andere planeet, waren ze tegelijk zo vertrouwd als huisgenoten. 

Irak kende ik van de Iran-Irak oorlog in de jaren ’80. Ik was toen nog heel jong, maar de groen-gelige beelden van de oorlog tussen twee landen met zulke gelijkende namen zie ik nog altijd voor me. Op één of andere manier ontwikkelde ik zelfs het idee dat de enen de ‘goeden’ waren en de anderen ‘de slechten’. Dat het ‘erg’ was ook, en ik associeer tot op vandaag een gevoel van onmacht met die herinnering. 

Tien jaar later wist ik dat ik niets wist en raakte ik bezeten door de verslaggeving over de oplopende spanning. Mijn ouders hadden een abonnement op Time Magazine - een cadeau van de Amerikaanse gastouders van mijn vader indertijd. James Baker, Tariq Aziz, … het werden household names. Ik las zaken die elders werden tegengesproken of in een ander licht werden gesteld. Ik raakte bezeten en gefrustreerd, want bij elke zin die uitgesproken werd of die ik las, ontsproot meteen een veelvoud aan vragen in mijn hoofd. Bij elke nieuwe naam of speler in het conflict moest ik verder terug in de tijd om zijn (zelden haar) belang en standpunt te kunnen plaatsen. Hoeveel krantenknipsels ik ook knipte, hoeveel opiniestukken ik ook uitscheurde, hoe dik mijn map ‘Oorlog Irak’ ook werd; de puzzel was nooit compleet. Het is zoals het anchor zegt in April: “We zijn op zoek naar een narratief, mevrouw de ambassadeur, naar een plaats en een moment waar we een paal in het zand kunnen slaan en zeggen: hier is het begin, al is het niet meer dan het begin van een paal in het zand, vanuit hier gaan we beginnen te vertellen, vanuit hier kijken we voor- en achteruit, elk verhaal is toch vooral op zoek naar zijn eigen onafwendbaarheid.” Het punt waarop ik de paal in het zand kon slaan, schoof telkens verder achteruit in de tijd. Achter elk antwoord school een nieuwe vraag. Ik leed aan infobesitas, al heette dat toen nog niet zo bij gebrek aan internet en sociale media. Het storytelling animal dat wij, mensensoort, volgens Salman Rushdie zijn, wordt gedreven door onverzadigbare onrust zolang die paal niet in het zand staat.

Het is nieuwe maan.

Die opdringerige nervositeit van nieuwsberichten, vragen en onmacht herkende ik een jaar later in de voorstelling van Frank Vercruyssen van Tg Stan getiteld Het is nieuwe maan en het wordt aanzienlijk frisser, naar een zin die Jef Lambrecht in zijn verslaggeving gebruikte ten tijde van de coalitie-aanval op Irak. Vercruyssen bracht een weefwerk van tekst van Georg Büchner en Thomas Bernhard (de onmacht, de boosheid, de burgerlijkheid van en in het leven) en mixte daar letterlijk en figuurlijk loeiharde fragmenten doorheen uit voornamelijk Amerikaanse nieuwsuitzendingen met hun theatrale newspeak (‘collateral damage’ vond in die tijd ingang als eufemisme voor burgerdoden) en flashy verslaggeving. Vercruyssen was gekleed in kostuumvest, das en sneakers, maar droeg geen broek: “een man in kijkkastformaat” noemde een recensent het. Het beeld vormt een voorafschaduwing van wat topdiplomaat Glaspie over zichzelf zegt in April: “ik heb het merendeel van mijn leven in het donker doorgebracht, achter een bureau, mijn bovenlichaam, mijn armen, crawlend in het licht van de schemerlamp.” Wat deze beelden gemeen hebben, is het beperkende kader ofte ‘frame’. De tv-journalist letterlijk ‘boxed in’ de televisie, de diplomaat gestut en ingesnoerd tegelijk door de formaliteit van taal en procedure en wij, de individuele burgers, met de billen bloot in al onze kwetsbaarheid en vermeende onmacht tegenover wat ‘de instellingen’, ‘the powers that be’ beslissen boven onze hoofden heen. Elkeen gereduceerd tot een rol en turend door een smalle lens naar wat niet te overzien lijkt.

24/7 

Toen de Amerikanen en hun coalitiegenoten in de nacht van 16 op 17 januari 1991 dan toch overgingen tot luchtbombardementen op Irak werd de westerse blik vooral gericht door de live-verslaggeving van Peter Arnett voor CNN en door embedded journalisten die mee mochten met de Amerikaanse troepen. Peter Arnett was een Pullitzer Prize winnende journalist uit Nieuw-Zeeland die naam en faam had verworven tijdens de Vietnamoorlog en aanvankelijk als enige tv-journalist in Bagdad bleef om verslag uit te brengen van de bombardementen van op het dak van het Al Rashid Hotel waar hij verbleef. Non-stop live tv-verslaggeving is toen definitief doorgebroken en CNN stond in één klap wereldwijd op de kaart als nieuwszender. Het zijn iconische beelden geworden: Arnett in het donker, zijn gezicht zwak verlicht met een zaklamp, en op de achtergrond voortdurend flitsen: “De Golfoorlog is begonnen. We horen het geluid van vliegtuigen boven ons hotel. We horen geen bommen inslaan, maar we zien wel lichtflitsen.” Meer dan eens in de maanden die volgden, kreeg hij de vraag of wat hij hoorde en zag van zijn bronnen wel wààr was, of hij niet werd gebruikt door de Iraki’s. Steevast luidde het antwoord van Arnett: “I think what I’m doing is, I’m reporting  from what I see as valid enough.” Die zin bouwt alvast meer voorbehoud in bij de onomstotelijkheid van het gerapporteerde dan wat het anchor beweert in April: “alles waar ik bij ben, bestaat, omdat ik erbij ben en alles waar ik niet bij ben, bestaat niet, omdat ik er niet bij ben.”

Alles op de voet proberen te volgen, die wemeling van feiten en beweringen, kostte tijd en energie. Ik raakte de informatiestroom niet meester en kon er dan ook maar moeilijk iets van vinden. Ik zocht vastere grond onder de voeten in boeken zoals Geschiedenis van de Arabische volkeren van Albert Hourani, en toch was er nooit genoeg afstand om overzicht te krijgen, laat staan om erover te schrijven. De SCUD-raketten vanuit Irak en het Patriot-afweergeschut in Israël turfden we in mijn herinnering elke ochtend gezeten bij de radio. De stem van Jef Lambrecht klonk dan wel mooi sonoor, geruststellend kon je de berichten niet noemen en vervolgens was het tijd voor school. 

De wereld op zijn kop.

Eind februari 1991 leek de oorlog opeens beslecht. Koeweit was bevrijd. De Iraki's die in opstand waren gekomen tegen Saddam Hoessein kregen dan toch geen hulp van de coalitie en werden aan hun lot overgelaten. Ze waren niemands probleem of zorg. Alle partijen likten hun wonden en verkochten triomfen. De wereld draaide voort en ik vertrok voor een jaar naar de andere kant van de wereld, met een bloedend hart en me het hoofd brekend over wat daarna.

In Brazilië was de Golfoorlog veraf. Daar was na een militaire dictatuur net de eerste democratisch verkozen president aangetreden. De geschiedenis werd er met getemperd enthousiasme herschreven in een taal die ik me in ijltempo probeerde eigen te maken. Toch werd het dagelijkse leven van mijn gastfamilie vooral beheerst door de vraag hoeveel hun geld de volgende dag nog waard zou zijn. De gierende inflatie vrat behalve waarde ook tijd (lange rijen voor alle administratieve diensten en banken) en energie (zorgen om de volgende dag). In mijn dagboek van toen plakt een collectie bustickets; elke maand een andere kleur, elke maand een nieuwe prijs. Aanvankelijk niet in staat Portugees te lezen leerde ik Brazilië kennen uit de praktijk, van onderaf.

In een tijd zonder internet en met godsgruwelijk dure telefoonminuten was ik op mezelf aangewezen om er iets van te maken in dat gigantische land, bij die ene gastfamilie. Ik werd aanvankelijk gereduceerd tot ‘a Belga’, alles wat ik deed of niet deed, was ‘typisch’. ‘De Brazilianen’ bleken al evenzeer meer verschillend, veelkantig en contradictorisch dan een bepaald lidwoord kon bevatten. Een jaar is lang en ook weer niet wanneer het doel is contact te maken, voorbij taaldrempels, culturele codes en dagelijkse sleur, maar het lukte. Innigheid in vervreemding is ’s mensen default setting als je het mij vraagt, al staan we daar misschien liever niet te veel bij stil. Als je de wereld op zijn kop bekijkt, valt aan die vaststelling evenwel niet te ontkomen, maar open nieuwsgierigheid brengt je al een heel eind, zo blijkt. 

Ik deed verslag van mijn jaar - zo mag je het achteraf gezien wel noemen - in ellenlange brieven naar het thuisfront. Een brief deed er een week over heen en een week terug. Die décalage in tijd zorgde meer dan eens voor verwarring of stemmingen die elkaar kruisten. Een activiteit waar ik naar uitkeek in de ene brief, was wanneer ik een daarop inhakend antwoord ontving alweer overschreven door iets anders. Je lens én de verschuivende tijd breken telkens weer anders het licht waarin de werkelijkheid zich aan je voordoet. Als ik die brieven, hoe gedetailleerd ook, nu herlees, lees ik vooral wat er niet in staat. Wat ik zelf onthou, wat ik me herinner van mijn innerlijke leven en sommige gebeurtenissen staat lang niet allemaal beschreven, zelfs niet in de dagboeken uit die tijd. Het verhaal van dat jaar kan nooit volledig worden gereconstrueerd louter op basis van misleidend uitgebreide verslagen. 

Het is het uitgangspunt en de crux van April: wat kan er gezegd zijn in het gesprek tussen twee topdiplomaten waar geen getuigen bij waren noch wederzijds erkende officiële verslagen van bestaan. De herinnering aan het gesprek zit verzegeld in het hoofd van Glaspie: “ik ben geen journalist / je maakt geen notities tijdens gesprekken / ik ben in tegenstelling tot u getraind om woordelijk te onthouden wat er wordt gezegd.” In dat opzicht heeft een diplomaat misschien meer gemeen met een romanschrijver die voortdurend zinnetjes en beelden opslaat die op haar pad komen.

Dat jaar in Brazilië bood alleen lezen in het Nederlands of het Engels me even respijt van het onophoudelijke leren, interpreteren, verifiëren, rectificeren en rapporteren. Ik was er sinds de Irakoorlog niet mee gestopt en daarmee was aan het eind van dat uitwisselingsjaar mijn studiekeuze gemaakt.

Geschiedenis.

Ik ben geschiedenis gaan studeren en ik zou het meteen opnieuw doen. Op het gevaar af pathetisch te klinken: het voelde alsof mijn manier van in het leven staan gelegitimeerd werd. Ik hoefde niet overal meteen wat van te vinden. Integendeel: vragen stellen, scepsis aan de dag leggen tegenover wat het eerste en soms vanzelfsprekende antwoord lijkt, je oordeel uitstellen, vragen blijven formuleren over en aan de beschikbare bronnen, en expliciteren wat je niet weet, is de essentie van de historische methode, van historische kritiek. Het voelde als thuiskomen.

Onze cursussen leidden ons dan wel diep in voorbije eeuwen en millennia, als student leefde ik honderd procent in de tegenwoordige tijd. Het was een periode zonder tv op kot (stel je voor!) en zonder internet (drie terminals in een zijlokaal van de grote ingang op de Blandijnberg niet meegerekend, ik ben er misschien één keer binnen geweest zonder precies te weten waar die computers voor dienden). Toch waren we dankzij de radio en kranten zeer goed op de hoogte van wat er gebeurde in de wereld, en van de weeromstuit ook erg betrokken. Het waren de jaren van de Hand in Hand-betogingen en van acties tegen de sluiting van de Boelwerf. We organiseerden debatavonden over de oorlog in ex-Joegoslavië en over het Israëlisch-Palestijns conflict, op zoek naar nieuwe inzichten. Ik engageerde me in ‘real-time’ in kwesties van die periode, maar ik bekeek en beschreef in mijn dagboeken, naast de lust en de last van het leren leven, al die activiteit ook als geschiedenis (met kleine g) in de maak.

Glaspie zegt in April: “Tempering en geheugen zijn het antwoord op de chaos waarin de polarisering ons drijft.” Ze verdedigt daarmee haar eigen ‘conservatieve’ temperament en haar positie als diplomaat. “Oh ja?”, laat auteur Willem de Wolf Tariq Aziz tegenwerpen, “en wat dan met opstandigheid?” 

Het is een herkenbare vraag, ook nu. Zijn louter beschouwen en bestuderen een voorrecht dat degene die een eerlijke blik en gelijke rechten moet bevechten zich niet kan veroorloven? Of valt er iets te zeggen voor onderzoekers met ‘een koud oog’ zoals Margaret Atwood dat noemt; is een zekere afstandelijkheid ook mogelijk zonder impliciete goedkeuring van de bestaande machtsorde? Tariq Aziz betrekt de kwestie in het toneelstuk ook op de journalistiek die hij verwijt een uiting van niet erkend privilege te zijn: “net als al uw zogenaamde objectieve en onafhankelijke journalistiek (…) al decennialang is uw witte institutionele kalmte in ons nadeel.”

Journalist.

Anno 2021 ben ik 24 jaar journalist en hanteer ik nog steeds grotendeels dezelfde kritische methode uit mijn geschiedenisopleiding. Toevallig ben ik journalist bij televisie, al heb ik tv-werk ook een aantal jaren gecombineerd met radio en zijn geschreven stukken altijd welkom op de site.  Jef Lambrecht was toen ik begon opeens een collega. De stem van Het is nieuwe maan en het wordt aanzienlijk frisser bleek dan toch benaderbaar. Jarenlang was hij één van de aanjagers van soms hoogoplopende discussies op de redactie. Bij het verzet in de Arabische wereld in 2011 bijvoorbeeld over de vraag of we wat daar gebeurde een ‘revolutie’ dan wel een ‘lente’ moesten noemen. Het is één van de eerste lessen die je als nieuweling leert: inhoudelijke confrontaties en gedachtewisselingen zijn het kenmerk van elke zichzelf respecterende nieuwsredactie.

Dertig jaar na de doorbraak van 24/7 tv-nieuws in 1991 dringt de digitale dimensie stilaan (lineaire) tv van de troon. Mij biedt de duiding het evenwicht tussen de adrenaline van de dagelijkse productiedruk enerzijds en het Olympisch standpunt van waaruit je (iets meer) overzicht hebt anderzijds. Elk medium (tv, radio, geschreven pers, digitale vormen) heeft zijn eigen wetmatigheden, sterktes en zwaktes. Beeld overtroeft tekst, maar biedt niet dezelfde diepgang. Tekst biedt detail en precisie, maar zwengelt niet noodzakelijk je voorstellingsvermogen aan zoals een goed radioverslag dat kan. Er bestaat geen hiërarchie tussen de verschillende vormen van journalistiek, al heeft tv de neiging zichzelf meer directe impact toe te dichten. “Alles waar ik bij ben bestaat, omdat ik erbij ben.” In werkelijkheid gaat het erom de regels en mogelijkheden van elk medium zozeer te beheersen dat je het best mogelijke verslag binnen die vorm kunt brengen. Daarbij speelt de aanleg en voorkeur van de individuele journalist uiteraard ook een rol. De ene is temperamentvol en jaagt gretig op scoops, de ander spit graag iets grondig uit en put bevrediging uit het beheersen van een dossier, nog een ander streeft de ultieme helderheid na in de informatieoverdracht. Journalisten bestaan in veel soorten en maten, maar bijna altijd worden ze (ook) gedreven door verontwaardiging of onderzoekszucht, en vaak door beide.

De buitenbaan van de waan van de dag.

In 2001 vond de aanslag op de Twin Towers in New York plaats. In 2003 begon president Bush de zogenaamde Tweede Golfoorlog. Over het wel of niet bestaan van een verband tussen die gebeurtenissen en operatie Desert Storm uit 1991 zijn intussen bibliotheken volgeschreven. Was dat alles werkelijk ‘de eigen onafwendbaarheid’ van het verhaal van 1991, of is die Eerste Golfoorlog door ons als een paal in het zand gezet om 2001 en 2003 beter te kunnen begrijpen, te vertellen? 

Ik was op geen van die beide momenten op de redactie, maar bevond me in de buitenbaan van de waan van de dag. Elf september beleefde ik in India. Bij de aanvang van een nieuwe aanval op Irak bevond ik me in Egypte. Noodgedwongen bekeek ik het gebeuren met een blik van buitenaf, met de blik van anderen, even betrokken als de ‘westerse wij’, zij het niet altijd even benieuwd bevraagd naar hùn ervaring. Het waren verschrikkelijke dagen, maar voor een nieuwsredactie ook hoogdagen. De adrenaline-high, de manier waarop het radarwerk van een redactie in elkaar grijpt en functioneert, de focus ook op zulke momenten zijn uniek, en ik heb die toen gemist. Tegelijk koester ik de gesprekken die ik had waar ik was, die andere kijk en beoordeling waardoor mijn eigen aannames voortdurend in vraag werden gesteld. De wereld op zijn kop, maar ook de wereld om de hoek. Ik had het niet willen missen.

Waarheid.

Die ervaring geldt mutatis mutandis ook op een redactievloer. Een goede redactie wordt een sterke redactie wanneer de leden zich bewust zijn van de eigen blinde vlekken, elkaar op vooronderstellingen wijzen, openstaan voor andere meningen en argumenten, ieder persoonlijk én als een in alle opzichten zo divers mogelijk team. Het is niet alleen een manier van werken. Het is ook de essentie van het werk zelf. Journalistiek bedrijven draait om waarheidsvinding, wordt gezegd. In de praktijk betekent dat: feiten bovenspitten, toetsen en duiden. De impact van feiten kan evenwel erg verschillend ervaren worden afhankelijk van wie je bent en wat je omstandigheden zijn. Dan toch: “ieder zijn waarheid”? Niet wat mij betreft: er zijn zaken die waar zijn en zaken die aantoonbaar niet waar zijn. Er zijn dingen die gezegd worden, die gedaan worden en dingen die niet gezegd zijn, die niet gedaan zijn, al is dat laatste moeilijker te achterhalen, getuige Glaspie in April. Die beperkingen, het voorbehoud, de onzekerheid en het proces een plek geven in het geheel is deel van het vak. 

In de journalistiek sla je geen palen in het zand, hooguit prik je paaltjes met een vlagje eraan: “dit is wat we hier en nu weten, geverifieerd en gedubbelcheckt, morgen hopelijk meer”. Het zijn oriëntatiepunten in een wijds landschap dat je blijft bereizen om het zo volledig mogelijk in kaart te brengen, ook al omdat na een onvoorziene weersomstandigheid het landschap onherkenbaar kan veranderen en tot dan toe verborgen lagen bloot kunnen komen te liggen. Het werk is nooit af.

Leven op de tast.

De journalistiek die ik beoefen, is een sprint. Zoals een atleet leef je in functie van de race - altijd ‘aan’ -, maar eens de race gelopen, net na de dagelijkse deadline is er even, heel even, een moment van decompressie. Schrijven, die andere ziel in mijn borst, is een marathon. Onderzoek in de diepte, niet alleen naar verborgen geschiedenissen, maar ook naar het onderhuidse, het onuitgesprokene om daar dan in taal, in romans, een vorm voor te vinden. Zoals ook theatermakers doen; de werkelijkheid uitvouwen, lezen tussen de lijnen, het licht eens anders richten. Uit leven op de tast ontstaan desastreuze botsingen, maar wordt ook kennis en schoonheid geboren. Wat als? Wie weet? Wat weten we niet? 

En dan een leven lang mogen (onder)zoeken.

 

NOOT.

Dagboek 5 april 2021.
Tekst Toneelhuis ingeleverd. Te lang, net niet te laat. Er wordt gebeld.

Ook interessante producties: