nl fr en

Tussen het schoolplein en de woeste zee

Mathijs de Ridder – verbonden aan de Universiteit van Antwerpen – dook samen met de deelnemers aan amateurTONEELhuis onder in de roman De verwondering van Hugo Claus. Hij peilt naar Claus’ fascinatie voor het gedachtegoed én de uitwassen van de Vlaamse Beweging en traceert de sporen daarvan doorheen de roman. Een lectuur van een van de meest complexe romans van Claus. 

Alsof het niet al complex genoeg was. In De wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus (p. 144-145) staat een schema afgebeeld van de roman Het oponthoud, die later herdoopt zou worden tot De verwondering om Crabbe en nog later tot De verwondering (1962). Voor wie de roman heeft gelezen is veel in dit schema herkenbaar: het verhaal over de leraar die door een van zijn leerlingen op sleeptouw wordt genomen naar de schimmige wereld van een groep mensen die een griezelige verering hebben opgevat voor een zekere Crabbe: een voorname Vlaamse collaborateur. Ook de structuur van het boek lijkt in dit schema sterk op die van de uiteindelijke roman. Het verhaal ontvouwt zich in vijf hoofdstukken – net als een Griekse tragedie – en elk hoofdstuk valt uiteen in vier verschillende delen, die elk een andere schriftuur hebben. Alleen… in dit schema is één van die niveaus stelselmatig doorgestreept. ‘Annalen’ heette de laag die Claus uit zijn plan schrapte en waarin hij de vertekende biografie van Verdinasoleider Joris van Severen wilde projecteren op de veertiende-eeuwse Vlaamse volksleider Zannekin. Alsof het niet al complex genoeg was.

 

De vaderstaat en het moederland

Het was niet voor het eerst dat Hugo Claus (1929-2008) het plan had opgevat om het leven van Nicolaas Zannekin (12??-1328) te verwerken in een roman. Het was zelfs het allereerste romanidee dat hij ten uitvoer bracht. In 1945/1946, Claus was toen ongeveer zeventien jaar oud, schreef hij naar eigen zeggen een roman over de prototypische Vlaamse vrijheidstrijder. Volgens de schrijver liet hij het verhaal aan zijn moeder lezen, die het vervolgens tot grote hilariteit aan de eettafel voorlas. Claus besloot zijn roman daarop te verbranden. Maar als we de schrijver mogen geloven, had hij de eerste pagina’s al een paar keer overgeschreven, zodat hij ze eerst in het tijdschrift Arsenaal (1948) en vervolgens in Natuurgetrouwer (1969) kon publiceren onder de titel ‘Het oponthoud in Kahareh’.

            Of dit echt de eerste pagina’s van Claus’ Zannekinroman zijn, valt moeilijk te controleren. Feit is echter dat hij in die eerste naoorlogse jaren gefascineerd was door de figuur van Zannekin, die tussen 1325 tot zijn gewelddadige dood in 1328 een opstand leidde tegen de Franse gezaghebbers in Vlaanderen. Hoewel de machtsverhoudingen tussen het volk en de regeerders in de Middeleeuwen heel anders waren dan in de natiestaten die vanaf de negentiende eeuw in zwang kwamen, gold dit verhaal in de Vlaamse Beweging als een inspirerend voorbeeld voor de strijd voor een sterk en bij voorkeur zelfstandig Vlaanderen. En Claus, die opgroeide in een familie die in Kortrijk tijdens de oorlog bekend stond als ‘een zwart nest’, was vlak na de oorlog nog zeer vatbaar voor een dergelijke interpretatie van de geschiedenis.

            Claus heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij uit een familie komt met een collaboratieverleden. Zijn vader Jozef, een drukker die lustig gecollaboreerd had, verdween na de oorlog een maand of twee in de gevangenis en zijn moeder, die tijdens de bezetting voor de Duitse vliegtuigfabriek ERLA in Kortrijk had gewerkt, kreeg geen bewijs van burgertrouw. Claus heeft evenmin ooit geheimzinnig gedaan over zijn eigen overtuigingen in zijn jonge jaren. Hoe had hij als jongeman ook aan de verdwazing van het volksnationalisme moeten ontkomen? In augustus 1941, op twaalfjarige leeftijd, wordt hij voor een maand op een door de DeVlag georganiseerde reis naar Duitsland gestuurd en raakt geweldig onder de indruk van de Nieuwe Orde. Zozeer zelfs dat hij bij terugkomst lid wordt van de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen, de fusievereniging waarin nagenoeg alle Vlaamse jeugdbewegingen in juli 1941 waren opgegaan. Maar het bleef niet bij de waardering voor het uiterlijke vertoon alleen: ‘Ik was op een verschrikkelijke manier pro-nazi’, bekent Claus in 1983. De nazi’s vertegenwoordigden voor hem zowel een esthetisch als een moreel ideaal: ‘voor mij kwam de heroïek uitsluitend van Duitse zijde’ verklaart hij in 1998. ‘Ik kan zelfs aannemen dat massa’s mensen in mijn infantiele staat van toen zijn blijven steken.’ (De plicht van de dichter: 21-25)

            De verleiding van het nationaal-socialisme was voor Claus dus een infantiele aangelegenheid. Letterlijk. Als kind had hij immers weinig keus. Toch is het veelzeggend dat Claus hier het woord infantiel gebruikt als karakterisering van de gehele ideologie. Hoewel hij zelf ook de eerste jaren na de oorlog nog in collaboratiekringen verkeerde, kreeg hij al snel in de gaten aan welk soort van ideologische fantasie hij bloot had gestaan. Lang voor Klaus Theweleit zijn baanbrekende Männerphantasien (1978) schreef, begreep Claus dat het volksnationalisme op een symbolisch niveau in wezen een systematische implementatie was van de fantasie (het waanbeeld zo u wil) dat het eigen geslacht zo zuiver mogelijk gehouden moet worden. Zo zuiver zelfs dat ieder ‘buiten’ als een gevaar wordt gezien en de gemeenschap hermetisch van dat onzuivere buiten wordt afgesloten. De aldus op zichzelf teruggeworpen gemeenschap begint zichzelf voor te stellen als een familie, als het product van het trotse huwelijk tussen de vaderstaat en het moederland. Hetgeen de dappere zonen – de soldaten die hun gemeenschap tegen indringers moeten beschermen – in een behoorlijk afhankelijke positie tot de moeder plaatst. ‘Der soldatische Mann’, zoals Theweleit deze zonen noemde, is een fundamenteel onvolgroeide man, een infantiel wezen.

            Deze fascinatie voor de eigen gemeenschap en zelfs obsessie met het eigen geslacht herkende Claus bovendien uit de Vlaamse Beweging. Familiale constructies hadden de Vlaamse letteren al sinds Hendrik Conscience getekend. In de tijd dat Conscience zijn identiteitsvormende romans schreef, was er nog geen vuiltje aan de lucht. Ook al beschreef de man die zijn volk leerde lezen de ene slag na de andere oorlog, zijn uiteindelijke boodschap was er toch altijd een van loyaliteit. Zolang het verstandshuwelijk tussen Moeder Vlaanderen en Vader België bleef functioneren, zolang die liefdevolle en dienstbare Moeder ten volle werd gerespecteerd, kon Vadertje Staat op de onvoorwaardelijke steun van het volk rekenen. Conscience was er zelf heilig van overtuigd dat dit niet alleen een werkbare, maar uiteindelijk ook succesvolle formule zou zijn. Zijn nogal naïeve vertrouwen in de vooruitgangsstaat hielp hem te geloven in een trots en zelfbewust Vlaanderen binnen een welvarend België. De filosofie hierachter was dat België niet zonder de nijvere werkkracht van Vlaanderen zou kunnen en dat de staat er dus alles aan gelegen zou zijn om zijn boeren en arbeiders tevreden te houden. Bovendien had Conscience er zelf min of meer voor gezorgd dat er een logica was ontstaan waarbinnen België alleen maar kon bestaan als de verbintenis tussen Vlaanderen en België een liefdevol en respectvol huwelijk zou blijken te zijn. Werd Moeder Vlaanderen niet gerespecteerd, dan stonden namelijk de ferme Vlaamse zonen klaar om hun ploegen om te smeden tot zwaarden en hun recht gewapenderhand af te dwingen. In de werken van Conscience bleef het bij afschrikwekkende voorbeelden. Nooit zou hij oproepen tot een daadwerkelijke opstand.

            Vlak voor de Grote Oorlog was er echter al een kentering waar te nemen. In 1912, het jaar waarin de stichting van de Vlaamse Hogeschool in Gent vervaarlijk op de helling kwam te staan, werd de toon van de anders altijd zo euforische Vlaamsgezinde toespraken grimmiger en opstandiger. Langzaam begon het besef te groeien dat Moeder Vlaanderen misschien toch moedwillig geweld werd aangedaan en dat het niet ondenkbeeldig was dat de ploegen toch eens écht omgesmeed moesten worden tot blinkende zwaarden. In de retoriek van de Vlaamse Beweging – bijvoorbeeld in de toespraken en geschriften van Cyriel Verschaeve – werd de Moeder vervolgens een steeds prominentere figuur, kreeg ze een steeds heiligere status en veranderde de nijvere en loyale Vlaming in een viriele strijder voor een absoluut ideaal. Op die manier begon de ooit zo brave metafoor soldateske, ja zelfs totalitaire trekjes te vertonen. In de metafoor werd de vaderfiguur aanvankelijk simpelweg verzwegen, totdat het idee van de staat België uiteindelijk helemaal aan de kant werd gezet en men openlijk op zoek ging naar een vervanger, naar een leider, naar een sterke man. Kortom: naar een Vlaamse vader.

            Claus besefte dus dat het infantiele van deze radicale vorm van nationalisme hem vooral in de problematische moederbinding zat. Als twintigste-eeuwse Oidipoesen wierpen de Vlaamse zonen zich op als huwelijkskandidaten voor hun eigen moeder, in een poging zich op te werpen als hun eigen vader. Hijzelf incluis. Wat was zijn fascinatie met Zannekin immers anders dan een poging om een prototype van een Vlaamse vader te fantaseren?

            Al snel maakt Claus’ fascinatie voor volkshelden als Zannekin – maar ook recentere iconen van het Vlaams-nationalisme, zoals Joris van Severen – plaats voor de fascinatie voor deze fascinatie. Claus raakt met andere woorden geïnteresseerd in de verbeelding van de ideale samenleving zelf en dan met name in de noodzakelijke vertekening van de werkelijkheid die zij met zich meebrengt. Toch lukt het hem nooit om de figuur waarmee het voor hem ooit begonnen was in een literaire tekst te verwerken. In 1962 laat hij nog eens uitschijnen dat hij bezig is aan een toneelstuk over Zannekin, maar ook dat stuk komt er nooit. Ondertussen was de Middeleeuwse volksheld ook al uit De verwondering verdwenen, wellicht om de toch al complexe constructie niet te overladen met obscure betekenissen. Zijn worsteling met Zannekin was echter niet helemaal uit de roman verdwenen. In een van de vele verhaspelingen van de Vlaamse geschiedenis wordt er vluchtig naar een volksopstand in 1340 (sic) verwezen (p. 205). Belangrijker is echter dat de zoektocht naar en de desastreuze identificatie met de symbolische Vlaamse vaderfiguur een van de belangrijkste thema’s is van De verwondering.

 

 

De vaderlijke oppervlakte en de moederlijke onderstroom

‘Weet u, de poésis-klas staat open’ zegt de mysterieuze leerling Verzele bij de eerste ontmoeting met leraar Duits-Engels Victor Denijs de Rijckel (59).

Grapje van Claus.

Er is immers bijna geen roman te vinden die zo betekeniszwanger is als De verwondering. De intertekstuele referenties zijn haast niet te tellen. De vraag is echter of je alleen in de ‘poésis-klas’ moet gaan zoeken om tot een begrip van de roman te komen. De verwijzingen naar de literatuur uit de klassieke oudheid en de renaissance zijn immers legio. Ze brengen echter niet noodzakelijk helderheid in de dichte mist van hele en halve verwijzingen. Wie gaat zoeken vindt altijd wel wat, maar laat Claus hier niet uitschijnen dat hij een dwaalspoor heeft uitgezet? Hij lijkt de deur immers met opzet open te hebben laten staan. Wie weet wat er allemaal naar buiten is gevlucht.

            Bovendien is het vanaf het begin duidelijk dat De Rijckel, de hoofdpersoon van De verwondering, niet bepaald met deze klassieke traditie in verband staat. Hij is leraar Germaanse talen (Duits-Engels; hij draagt als het ware het conflict van WO II al in zich) en staat in tegenstelling tot de leraar klassieke talen niet op goede voet met de prefect van het Atheneum waar hij les geeft. Daar komt nog eens bij dat hij geen klassieke schoonheid is. Hij heeft flaporen, die hij volgens zijn vader met punaises aan zijn hoofd zou moeten prikken, zodat ze ‘klein en Grieks tegen de schedel’ komen te staan (8).

            De Rijckel bevindt zich in de symbolische orde die deze roman schept op vreemd terrein. Hij is een Germaans element in een wereld die wordt gedomineerd door een klassieke, zelfs overwegend Latijnse traditie. Het volk is hem dan ook ‘vijandelijk’ (8) en ook de leerlingen van De Rijckel behoren tot het ‘vijandelijk kamp’ (13). Ze maken allemaal deel uit van de wereld die zich als gaaf en gepolijst presenteert. Of voorwendt. De dijk is ‘goedgevoegd en glad’ (8), zo glad dat de meisjes er op kunnen rolschaatsen, net als op het schoolplein dat ook al een ‘domein’ is ‘waarop men rolschaatsen zou’ (37). Hoewel de stad niet met naam wordt genoemd, is het duidelijk dat dit domein Oostende is, de Koningin der badsteden, waar een man met de Latijnse titel prefect de scepter zwaait en waar bovendien de ‘vlaggen van België en Frankrijk’ wapperen (14). Aan de rand van deze stad staat een twee verdiepingen hoge visser van arduin die zijn ‘billen geknepen’ houdt (het klassieke lichaam is immers ondoordringbaar) en met een hoofd zo ‘glad als een eikel’ (zij het ‘mongoloïde’, de klassieke volmaaktheid is zoals gezegd voorgewend) als een enorme fallus ‘de wake houdt’ (8). De klassieke eenheid en de Latijnse geest regeren met andere woorden over deze realiteit (en laat zich voor de gelegenheid van zijn meest potente kant zien).

            Waartegen de stad beschermd dient te worden? Tegen de zee, die zich aan het begin van de roman ‘tamelijk heftig ruisend’ laat horen, maar De Rijckel voorlopig nog niet het hoofd op hol jaagt (7).

            In de eerste pagina’s van De verwondering schetst Claus de tegenstelling die in de hele roman een rol zal spelen. Aan de ene kant bevindt zich het officiële België, Latijns geïnspireerd, klassiek van inrichting en vertegenwoordigd door een voorbeeldige vaderfiguur: de perfect, och excuseer… de prefect. Aan de andere kant ligt de woeste zee, die al eeuwen met de moederfiguur in verband wordt gebracht en waaruit al snel een exemplarische dochter geboren zal worden. Als een lompe versie van de Venus van Botticelli verschijnt tegen de achtergrond van ‘de woeste zee met schuimkoppen’ voor het eerst Alessandra Harmedam: ‘zij zette haar voeten wijdbeens, log, ongemakkelijk. Hield haar waaiend haar tegen met een hand; de andere onzichtbaar, drukte zij, naar de houding van haar voorovergebogen schouders te oordelen, tegen haar onderbuik’ (27).

De een staat met de billen geknepen op de dijk, de ander wijdbeens met de hand op het geslacht in de branding en daar tussenin bevindt zich Victor Denijs de Rijckel.

Opvallend is het dat de leraar, ondanks het feit dat hij een vreemd element is in de strak getrokken wereld van de prefect, niet automatisch deel uitmaakt van de onderstroom van deze wereld. Tot twee keer toe heeft hij een soort wormhole nodig. De eerste keer is dat het ‘bal van het wit konijn’, ook wel het ‘bal van de dode rat’. In deze carnavaleske setting worden voor even de normale wetten en geboden opgeschort en datgene wat doorgaans binnen wordt gehouden (binnenskamers, in het lichaam, buiten zicht) losgelaten. Op die manier wordt De Rijckel al even een blik gegund op een wereld waar hij nauwelijks weet van heeft, maar waartoe hij zich wel aangetrokken voelt. De tweede keer wordt De Rijckel naar de onderwereld geleid door Verzele, de mysterieuze leerling die de dag na het bal op school ronddwaalt. Verzele is vaak in verband gebracht met Virgilius, die Dante in De goddelijke komedie door de hel loodst. De deur van de ‘poésis-klas’ stond, zoals we gezien hebben, open en dit is inderdaad een van de klassieke referenties die verhelderend werken. Tegelijkertijd is het echter ook niet betekenisloos dat deze gids een kind is. Alleen een onvolwassene kan De Rijckel immers naar de wereld leiden waar de ‘infantiele’ ideologie regeert.

Die wereld bevindt zich niet toevallig buiten de stad. In de symbolische tweedeling van België is het ongecultiveerde, woeste platteland namelijk met het volk en dus met Vlaanderen verbonden. Dit in tegenstelling tot de netjes in cultuur gebrachte stad, die met het gezag, de staat en dus met België verbonden is.

Op het moment dat De Rijckel Verzele volgt naar het dorp en het landgoed Almout wordt hij dus ondergedompeld in een ideologische onderstroom die in het netjes aangelegde naoorlogse België zelden aan de oppervlakte komt. Ook in die omgeving bevindt De Rijckel zich aanvankelijk op vreemd gebied, zij het dat hij een grotere verwantschap met deze mensen vertoont. De mannen in het café identificeren hem meteen als ‘die meneer uit de stad’, die ironisch genoeg ook nog klassieke muziek uit de jukebox tovert (Otello van Verdi, een Italiaans stuk dus, hoewel het materiaal natuurlijk van Shakespeare komt en dus wel degelijk Germaans is), maar deze heren tegelijkertijd terugvoert naar een vertrouwd verleden: ‘Ja, je hoort geen klassiek meer hè, tegenwoordig, ’t is al dzass.’ (91) Op Almout, het landgoed waar Alessandra, haar moeder Alice en hun gevolg wonen, wordt De Rijckel op dezelfde manier half-en-half geaccepteerd. Men vermoedt dat hij een ‘Hollander’ is (85); een ander dus, maar wel nauw aan deze Vlamingen verwant.

Beetje bij beetje wordt het vervolgens duidelijk waar de wereld van zowel de mensen in het café als de mensen op Almout om draait. In het café gaan de gesprekken over ‘Die Terug Zou Komen’, de Vlaamse volksleider genaamd Crabbe. Crabbe blijkt een trouwe volgeling geweest van De Keukeleire, in wie veel van Joris van Severen blijkt te zitten: ‘Want de leider, de Keukeleire, met permissie gezegd, heeft zijn kazak gekeerd. Eerst was het al Vlaams wat de klok sloeg, weg met Belgiekske-nikske, en dan in een keer een grotere belgicist was er niet te vinden!’ (93) Deze plotse koersverandering verwijst naar Van Severens ‘nieuwe marsrichting’ uit 1935, die door een van de andere cafégangers als volgt wordt verdedigd: ‘Omdat, goddomme, België helemaal in het rijk moest opgenomen worden, goddomme, ge verstaat het nog altijd niet.’ (93)

Crabbe, die De Keukeleire in alles volgde, maar ‘niet in Mei-Veertig, niet tot de dood met de kogel’, is gemodelleerd naar Reimond Tollenaere, die in de Vlaamse Beweging als de gedroomde opvolger gold van Staf de Clercq als leider van het VNV, maar die in 1942 aan het Oostfront stierf. Om hem draait de verering van de mensen in het café en op Almout; hij is de verloren zoon op wiens terugkeer zij met zijn allen hopen. En meer: op Crabbe rust de hoop dat als hij terugkeert, hij de vacante Vlaamse leiderspositie in zal nemen, en dat hij – de exemplarische Vlaamse zoon – zich zal verbinden met Alessandra – de exemplarische Vlaamse dochter – die speciaal voor hem haar maagdelijkheid bewaart (140).

Meteen vanaf de introductie van Crabbe beginnen feit en fictie echter al door elkaar te lopen. In geen van de verhalen die over Crabbe worden verteld, is het namelijk helemaal duidelijk hoe de vork precies in de steel zit. Veel is onzeker, nog meer lijkt alleen vanuit het juiste perspectief bekeken te moeten worden. Waarom sprak Crabbe immers liever Frans dan Vlaams? Omdat ‘hij wilde laten zien dat hij het beter kon dan de franskiljons, goddomme’, zegt de een. Welnee, zegt de ander, omdat het paste in de koerswijziging van De Keukeleire (93). Het is maar hoe je het uitlegt.

Die constante behoefte om de geschiedenis te vertellen en te hervertellen en nog eens te vertellen, net zo lang tot het verhaal precies past op de wensdroom van degenen die het verhaal vertellen, wordt zowat het belangrijkste wat er in het vervolg van De verwondering gebeurt. Hoe meer bijzonderheden over het leven van Crabbe er boven tafel komen, hoe meer moeite er moet worden gedaan om zijn verhaal zo te kneden dat het nog strookt met de algemene opvattingen van zijn vereerders. Claus verbeeldt die constante noodzaak tot herdefinitie mooi in ‘De tuin der beelden’, waar tientallen beelden van Crabbe staan, allemaal in compleet andere stijlen, haast zonder onderlinge gelijkenis. Die beelden zijn het werk van Sprange, een raadselachtige aanwezigheid op Almout, die net als alle anderen voor de taak staat om de mythe Crabbe te scheppen en te herscheppen, net zo lang tot hij ooit werkelijkheid zal worden. Tevergeefs uiteraard.

Het beeld dat Claus schetst van de zoektocht naar de Vlaamse vaderfiguur is er een van een fundamenteel verlies van werkelijkheidsbesef. Liever dan de feiten onder ogen te komen, herdefinieert men de ontstaansgeschiedenis die men onmisbaar acht. Dat leidt soms tot hilarische passages, bijvoorbeeld op het moment dat Verzele de geschiedenis van Crabbe vertelt en en passant de hele Vlaamse Beweging én een verhaspelde versie van het verloop van de Tweede Wereldoorlog de revue laat passeren (98-100). Toch waakt de schrijver ervoor om deze nationalistische verdwazing af te doen als een belachelijk verschijnsel. Hoe irreëel ook, Claus ziet haar als een peiler van het denken in Vlaanderen, waarvan de verleidingen vooral niet moeten worden onderschat. Neem bijvoorbeeld De Rijckel, de halve vreemdeling, die zich al vanaf het eerste moment dat hij deelgenoot wordt gemaakt van de verering voor Crabbe begint te identificeren met deze verloren leider: ‘Zo begon Crabbe zijn intrede. In mij. Door Onze Lieve Vrouw van Fatima voorspeld, opgeroepen door de kaartspelers.’ (93)

Die identificatie van De Rijckel met Crabbe is het andere grote thema dat De verwondering bepaalt. Aanvankelijk is zij bijna anekdotisch: de figuur die door de dorpsbewoners wordt opgeroepen is zo enigmatisch dat hij zich in De Rijckel vastzet. Maar al snel blijkt er een heel ander mechanisme dan een simpele fascinatie actief te zijn. Het ideologische denken in het dorp en op Almout is namelijk zo sterk dat het de werkelijkheid begint te dicteren. Vooral in het hoofd van De Rijckel. Wat voor hem begon als een carnavaleske ontsnapping aan de dagelijkse sleur verandert plotsklaps in een mogelijkheid van een nieuwe orde, van een wereld zonder vernederingen en zonder prefect. Als die gedachte zich eenmaal in de leraar heeft vastgezet, is er geen weg meer terug. Meer nog: hoe sterker de aanwijzingen worden dat Crabbe niet echt een held was – hij blijkt bijvoorbeeld een kleinzerig moederskindje geweest te zijn (174, 195), dat bovendien vaandelvlucht pleegde (129) – hoe groter de noodzaak voor de leraar wordt om de gaten in de mythe op te vullen. Daarvoor is het noodzakelijk om Crabbe te worden, alleen dan kan hij de geschiedenis veranderen.

Dat punt bereikt De Rijckel als hij tijdens een studiedag op Almout wordt ‘herkend’ als dr. Heerema, de Nederlandse biograaf van Crabbe. Hij wordt gesterkt in zijn identificatie met Crabbe en voelt het verlangen naar een andere orde, langzaam veranderen in een plicht. Plots is het niet meer de vraag óf hij zich zal spiegelen aan Crabbe, maar wanneer hij als de grote leider zal worden erkend. Overmoedig laat De Rijckel zijn driften, die lang onderdrukt zijn gebleven, nu af en toe de vrije loop. Met alle gevolgen van dien. De leraar negeert namelijk alle tekenen die erop wijzen dat de cultus rond Crabbe zo goed werkt omdat haast geen enkele van de kwaliteiten die hem worden toegeschreven, aan de realiteit is getoetst. Crabbe is verdwenen voordat hij zijn leidende rol heeft kunnen opnemen, het is maar de vraag hoe sterk hij in de Vlaamse leer stond (174) en de liefde voor Alessandra heeft hij nooit geconsumeerd.

De Rijckel, daarentegen, gaat recht op zijn doel af… en rent er vervolgens voorbij. Na een vrijpartij met Alessandra is de magie van die verbintenis bijvoorbeeld meteen verdwenen. ‘Zij is pas mijn voorspel, mijn springplank naar iemand anders,’ denkt De Rijckel die de symbolische betekenis van de vereniging tussen hem – de nieuwe Crabbe – en Alessandra even ontgaat (172). Zijn doel is de feitelijke identificatie met Crabbe, die op het landgoed vol Crabbevereerders uiteraard alleen kan uitlopen op een pijnlijke ontmaskering.

Als De Rijckel inderdaad wordt ontmaskerd, heeft dat hoegenaamd geen invloed op zijn identificatie met Crabbe. Niets brengt hem nu nog van de wijs. Zelfs de geruchten dat Crabbe verkleed als non in een koolzaadveld was neergebliksemd (198-200), of erger nog: dat hij de hand aan zichzelf had geslagen (203), kunnen hem niet meer vermurwen. De feitelijke geschiedenis is voor De Rijckel definitief irrelevant geworden. Daarmee heeft hij de meest radicale fase van zijn ideologische verdwazing bereikt. Iedere band met de werkelijkheid is nu verdwenen. Zijn drijfveren en objectieven bestaan uit louter inbeelding. Crabbe huisde niet meer in Almout, constateert De Rijckel strijdbaar, ‘want hij woonde in mij’ (203).

In die vorm, als een van de realiteit losgezongen idee van de ondertussen volledig verzonnen Vlaamse vaderfiguur Crabbe, ontvlucht De Rijckel Almout. Tijdens die vlucht vervagen definitief alle grenzen. Zo heeft het hoofdstuk ‘Vlucht zonder verdediging’ geen tussentitels meer, die de verschillende vertelmodi in de rest van het boek van elkaar scheidden. Weg is ook het onderscheid tussen De Rijckel en Crabbe. Alles wordt één grote fantasmagorie waarin het niet meer duidelijk is waar de werkelijkheid ophoudt en de fantasie begint. In die hallucinante aftocht beleeft De Rijckel niet alleen zijn eigen ondergang, maar herbeleeft hij ook de vernederende ondergang van Crabbe.

Het is haast onmogelijk om in het vijfde deel van De verwondering de reële gebeurtenissen nog van de verbeelding van de leraar te onderscheiden. Niet alleen lopen de vlucht van Almout en uit het dorp, en de ondergang van Crabbe door elkaar, ook de afloop van het boek zou zich wel eens geheel in De Rijckels verbeelding kunnen afspelen. Belandt de leraar bijvoorbeeld wel écht in een inrichting voor geesteszieken? Of wordt hij vooral in zijn verbeelding onderworpen aan de wraak van het officiële gezag?

Deze bedenking heeft met terugwerkende kracht gevolgen voor het boek als geheel. Minstens twee van de vier vertelmodi hangen namelijk expliciet samen met De Rijckels internering. Op vraag van zijn dokter maakt de leraar een ‘afstandelijk’ verslag van de gebeurtenissen. Daarnaast schrijft hij echter ook nog een veel vrijer en ook veel eerlijker dagboek op het papier dat de verpleegster Fredine hem geeft. Verder is er nog een notaboek en duikt er soms een ‘wij’ op, die de gebeurtenissen vanuit de gemeenschap becommentarieert. Hoewel het verhaal dus schijnbaar vanuit een inrichting wordt geschreven, is deze vertelsituatie lang niet sluitend. Naast het huiswerk dat De Rijckel van zijn (ingebeelde) dokter heeft gekregen en het geheime dagboek dat hij op het papier van Fredine schrijft, zijn er nog twee vertelmodi die zich onttrekken aan het strakke regime waaraan hij onderworpen zegt te zijn.

Aan het eind van zijn relaas voor dokter Korneel van den Broecke merkt De Rijckel bovendien haast tot zijn eigen verwondering op: ‘Dit hier is geen reglementair hospitaal.’ (226) Wat de waarde van die opmerking in deze hallucinatie is, valt natuurlijk te bezien, maar als je voorts nog een aantal andere elementen uit De Rijckels beschrijving van zijn onderkomen naast elkaar legt – ‘dit is een afgedankt hok, heb ik begrepen, niemand komt er ooit in’ zegt hij vrij in het begin over zijn kamer in het zeer vreemde hospitaal (28); verder blijkt de vermoedelijke ‘Scharführer’ Sprange, de man van Almout, de dokter te vergezellen op zijn rondes (226) en is het De Rijckel niet duidelijk door wie Korneel wordt betaald om hem in de gaten te houden: ‘door Sandra of door de Staat’ (229) – dringt het vermoeden zich op dat De Rijckel niet in een gekkenhuis bevindt, maar een gevangene is van zijn eigen ontspoorde gedachten.

Na zijn mislukte vaart over de moederlijke onderstroom van de maatschappij, zit hij in (en met) zijn gedachten opgesloten in de morele orde van de vaderstaat, die hem zijn worsteling met zijn moederland kwalijk neemt en die zelfs van hem verlangt dat hij zich van zijn narcistische verlangens bevrijdt. Maar hoewel de moederlijke onderstroom een dwaalweg is gebleken, kan De Rijckel zich niet overgeven aan de nukken van de vaderstaat. Hij zit gewrongen tussen twee werkelijkheden. Het is dan ook niet toevallig dat de enige die hij op dat moment nog vertrouwt, de zogenaamde verpleegster Fredine, noch bij het ene, noch bij het andere kamp valt in te delen. Zij is ‘man noch vrouw’ (224).

Tot uiterste wanhoop gedreven staat Victor Denijs de Rijckel nog maar één ding te doen: verdwijnen. ‘U zult mij tevergeefs zoeken’, schrijft hij aan Korneel: ‘Zoals Crabbe.’ (227) In de allerlaatste scène van het boek blijkt waar De Rijckel heen gaat. Min of meer ontwaakt uit de verdwazing die hem ertoe had gebracht om het verlangen zijn eigen vader te zijn tot het uiterste door te drijven door zich Crabbe te wanen, maar nog lang niet bereid zich over te geven aan de leugenachtige orde van de staat en van de prefect, staat hij precies op de plek waar hij zich aan het begin van de roman ook bevond: tussen de woeste zee en de strak getrokken stad. Daar, op de grens van de vaderstaat en de moederzee kan hij alleen nog maar uiting geven aan zijn frustraties: ‘Hij overzag het trillende vlak van de zee en gaf uit volle kracht van zijn longen een gil.’ (241-242) Een gil van onvermogen en verwondering.

 

 

 

 

Hugo Claus, De wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus [Mark Schaevers, ed.], De Bezige Bij, Amsterdam, 2012.

 

Diverse auteurs, De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek, De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen, 2013.

 

Joris Duytschaever, Over De verwondering van Hugo Claus, Wetenschappelijke Uitgeverij, Amsterdam, 1979.

 

Kris Humbeeck, ‘Oorlog en onvrede. De verwondering  als huiselijke tragedie’. In: Philip Buyck & Kris Humbeeck [eds.], ‘De/constructie, kleine

diergaerde voor kinderen van nu. Eerste reeks’, speciaalnummer van: Restant, jrg. 15, nr. 2 (1987), pp. 363-436.

Ook interessante producties: