nl fr en

Roy Cohn, van Joseph McCarthy tot Donald Trump

Marc Reynebeau over de link tussen Roy Cohn en Donald Trump: "Zoek geen vergelijk, kies zelf je slagveld en laat je niet op het terrein van de tegenstander lokken, geef nooit je ongelijk toe, erken nooit schuld, excuseer je nooit, verdedig je nooit, ga altijd in de aanval. Zeg justitie: go to hell."
 

Het is onder meer een kwestie van stijl. Wat te doen wanneer je met vastgoed je geld verdient, weigert om flats aan minderheden te verhuren om je appartementsblokken blank te houden, en dan wegens discriminatie voor de rechter wordt gedaagd? Dat was in 1973 een vraag voor Donald Trump, toen een twintiger die carrière wilde maken in de schaduw van zijn vader Fred. Trump vond het antwoord in een nachtclub in New York waar hij de advocaat Roy Cohn ontmoette. Die had raad voor hem: zoek geen vergelijk, kies zelf je slagveld en laat je niet op het terrein van de tegenstander lokken, geef nooit je ongelijk toe, erken nooit schuld, excuseer je nooit, verdedig je nooit, ga altijd in de aanval. Zeg justitie: go to hell.
Zo geschiedde.

Namens Trump diende Cohn een tegeneis met een gigantische schadeclaim in, zogezegd wegens lasterlijke beschuldigingen. Twee jaar later, toen het niet anders meer kon maar de zaak wel uit de publieke aandacht was verdwenen, zou Trump in alle stilte toch schikken. Tegenover de buitenwereld kon hij echter blijven volhouden dat hij ‘nooit’ een rechtszaak had verloren en voorts onmogelijk een racist kon zijn. Nog een les van Cohn: geef nooit toe dat je hebt verloren, al is het wel zo, maar eis integendeel altijd de overwinning op.

Biografen van Cohn en Trump zien deze episode als een cruciaal moment, zeker voor de laatste. Trump was zozeer onder de indruk van Cohn dat hij hem tot zijn advocaat, fixer én mentor maakte. Dat bleef hij tot hij in 1986 stierf aan aids, al zou Trump zich op dat ultieme moment van Cohn distantiëren. Maar in 1973 had Cohns agressieve stijl zijn efficiëntie bewezen en Trump nam die over, eerst in zaken, later ook politiek. Wat Cohn hem leerde, toont zich nog altijd in Trumps presidentschap: het leven is een knokpartij.

Toen Trump het benauwd kreeg door het officiële onderzoek naar de Russische inmenging in de presidentsverkiezingen van 2016, zou hij er met zoveel woorden zijn beklag over maken dat hij iemand als Cohn miste. Van zijn toenmalige minister van Justitie Jeff Sessions verwachtte Trump zonder meer dat hij zou zijn als ‘my Roy Cohn’, ‘een advocaat die je beschermt’. Dat Sessions weigerde om het in zijn officiële functie op te nemen voor het privébelang van Trump, kostte hem uiteindelijk zijn baan.

Met Trump was Cohn in zaken, zoals hij tevoren de juridische belangen van de maffia van New York had gediend. Net zoals voor Trump bleef de grens tussen zaken en politiek voor Cohn altijd erg dun. Beiden zagen politiek tenslotte slechts als het snijpunt van macht en geld, en daar was het hen altijd om te doen. Hun persoonlijke motivatie lag in een fragiel zelfbeeld, getekend door kwetsbaarheid, wraakzucht en angst voor afwijzing en vernedering. In hun perceptie is het leven een oorlog, waarin alleen winnaars en verliezers kunnen bestaan. En zij wilden met alle middelen winnen – in de vorm van geld en macht, met publieke erkenning bovenop.

Daar past die ‘directe’ stijl bij: bluffen, pesten, vernederen, intimideren, liegen, lasteren, manipuleren, aanvallen, nooit toegeven. In de scheldwoorden die Trump voor zijn critici en politieke opponenten bedenkt, kan geen verwijt erger klinken dan dat ze losers zijn. Omgekeerd houdt hij zijn kiezers steevast voor dat ze met hem als president zo vaak en zo veel zullen winnen dat ze het winnen uiteindelijk zelfs beu zullen worden.

Die agressieve ingesteldheid hangt samen met ongetemperd narcisme en schaamteloze zelfverheerlijking. Dat verklaart ook Trumps onvermogen om een fout toe te geven. Het heeft een pathologisch kantje. Zelfs een verspreking mag in het wereldbeeld van Trump niet bestaan – hij stelt die dan doorgaans voor als een synoniem. En als hij zich vergist in de koers die een orkaan zal volgen, voegt hij met een viltstift zijn vergissing als een nieuwe waarheid aan de officiële kaarten toe. Trump ervaart dat niet als leugens of zelfbedrog; het stamt uit de arrogante overtuiging dat hij recht heeft om een voor hem zo behaaglijk mogelijk universum te creëren, zowel in de feiten als in hun ethische betekenis.

Cohn leerde Trump ook het belang van beeldvorming, imago en publiciteit. Beiden hunkerden altijd naar respectabiliteit en erkenning, al was het maar in het ontzag dat Cohn wilde afdwingen met zijn Rolls-Royce. Voor het oog van het grote publiek, en dus in ook in de media, helpt het altijd om zelf het gespreksonderwerp te kunnen bepalen en zo nodig te veranderen. Als president heeft Trump altijd wel een thema klaar – pakweg het plan om Groenland te kopen – om de aandacht van weer een volgend potentieel schandaal te kunnen afleiden. En uiteindelijk is elke publiciteit goede publiciteit, want het onderwerp van gesprek zijn, in welke zin dan ook, is wat bepaalt wie ertoe doet.

Controverse helpt om aandacht te trekken. En Roy Cohn was altijd controversieel. Als twintiger trok hij al nationale aandacht, als juridisch medewerker en inspirator (‘vampier’, zeggen sommigen) van senator Joseph McCarthy. Die zag in de anticommunistische paranoia van kort na de Tweede Wereldoorlog een bedding om een ware heksenjacht te ontketenen tegen al dan niet vermeende landverraders. Daar had Cohn ervaring in: hij was zijn carrière als jurist begonnen met het vervolgen van mogelijke Sovjet-spionnen; hij aarzelde niet om een onschuldige vrouw te laten ter dood veroordelen. Maar vooral in het project waarmee McCarthy zijn politieke reputatie nog wat late glans hoopte te geven, kon Cohn zijn machts- en geldingsdrang botvieren. Met McCarthy kraakte Cohn het leven en de carrière van velen, in de ambtenarij, het leger of in Hollywood, met vaak uitzinnige verdachtmakingen en demagogische beschuldigingen over ‘on-Amerikaans’ en onvaderlands gedrag. Niet alleen communisme behoorde daartoe, maar ook homoseksualiteit. Cohn was nochtans zelf ook zo’n sex pervert, zoals het toen heette, maar hij trachtte zijn homoseksualiteit koste wat het kost te verbergen. Toen aids hem aan het eind van zijn leven tekende, beweerde hij aan leverkanker te lijden.

Cohn kreeg twee decennia na zijn dood weer publieke aandacht omdat hij wordt gezien als de drijvende kracht, over het graf heen, achter het presidentschap van Donald Trump. Meer nog, Cohn was altijd al actief in de coulissen van de conservatieve en nationalistische politiek. Vooral met president Ronald Reagan onderhield hij in de jaren tachtig warme contacten. Maar personages als hij en Trump kunnen politiek pas succesvol zijn als de dominante cultuur hen daartoe de ruimte biedt.

Toen de ster van Cohn begon te rijzen, overheerste in de VS nog een achterkamerpolitiek waarin alleen een selecte elite het voor het zeggen kreeg. Die maakte deel uit van netwerken van makelaars in macht en geld – en in wat daarbij verder nog aan gunsten en hand- en spandiensten te verdelen viel. Daar kon een allerminst door ethische bekommernissen gehinderde strateeg als Cohn met zijn breed vertakte relaties in politiek, justitie en economie een machtspositie uitbouwen, als fixer en power broker. Het pijnpunt in de Amerikaanse politiek blijft immers de financiering van politieke campagnes: wie verkozen raakt, mag nooit vergeten om achteraf zijn donoren ter wille te zijn, ook niet als het gaat om pakweg bouwvergunningen, overheidsopdrachten, subsidies of fiscale regelingen.

Onder het presidentschap van Reagan kregen figuren als Cohn nog meer bewegingsruimte dan tevoren. Wat tevoren nepotisme of corruptie was, werd officieel beleid. Want het ideologische tij was gekeerd: het neoliberalisme legitimeerde een winner-takes-all-mentaliteit. Het gebood dat de overheid kleiner moest, met navenante belastingverlagingen, zeker voor de rijken, terwijl sociale rechten en voorzieningen werden afgebouwd en conspicuous consumption ook cultureel weer een maatschappelijke deugd werd. Via liberalisering, deregulering en privatisering vielen er nog meer gunsten te verdelen. Cohn en Trump waren er de exponenten van; zij introduceerden, aldus het maandblad The Atlantic, de ‘maffiastijl’ in de Amerikaanse democratie: een kille, nietsontziende machtspolitiek.

Donald Trump voerde de verwevenheid van macht en geld naar een toppunt. Hij nam geen genoegen met een rol backstage, als bemiddelaar, financier of lobbyist, hij koos zelf voor het voorplan. Hem motiveerden ijdelheid, geldingsdrang en een zucht naar publiciteit – of misschien deed hij het alleen uit verveling of vanuit de overtuiging dat men nooit zo goed wordt gediend als door zichzelf.

Trumps kandidatuur en verkiezing in 2016 verhelderen vooral de staat van de politiek. Vooreerst: de klassieke mechanismen van de politiek had Trump hoe dan ook niet nodig. Financiers hoefde hij niet te plezieren, want hij had zelf geld genoeg. De patronage van de Republikeinse partij diende hem alleen in de formele nominatie, maar daarzonder had hij het ook kunnen doen. Haar structuren kon hij missen omdat hij geen nood had aan de belangrijkste functie daarvan, het mobiliseren van militanten en kiezers. Hij kreeg immers zo al praktisch onbeperkt toegang tot de media en zo tot zijn potentiële electoraat. Ideologisch heeft de partij hem al evenmin wat te bieden (en, omgekeerd, kan ze hem niets in de weg leggen) omdat ze inhoudelijk al helemaal is uitgehold en gefragmenteerd tot deelbelangetjes als gevolg van onder meer het populisme van wijlen de Tea Party. Van wat ooit een moreel kompas in de partij kon zijn, blijft nu alleen nog cynische hypocrisie over.

Het is zelfs maar de vraag of Trumps presidentschap nog iets te maken heeft met politiek. Of toch, het is nog altijd politiek, heel harde politiek zelfs, maar het heeft er niet meer het aanschijn van. Het ziet er nu uit als entertainment, als een freakshow.

Marc Reynebeau

Ook interessante producties: