De Shakespeare van de negentiende eeuw

Een inleiding op het werk van Ibsen door Bart Philipsen

In het kader van amateurTONEELhuis organiseren Toneelhuis en OPENDOEK dramaturgische inleidingen. Deelnemende gezelschappen kunnen zich verdiepen in de voorstellingen die op het programma staan voor seizoen 2015-2016, waaronder Hedda Gabler van Ibsen. Bart Philipsen, hoogleraar aan de KULeuven en Ibsen-kenner gidst ons doorheen het leven en werk van Ibsen. Hieronder volgt een uitgebreide samenvatting van deze avond.

Henrik Ibsen wordt vaak de ‘Shakespeare van de negentiende eeuw’ genoemd. Ibsen komt dan wel uit Noorwegen, toch is hij heel snel een Europees schrijver geworden. Hij had dus een bepaalde reputatie in zijn tijd. Uit een citaat van Ibsen (1874) blijkt hoe hij omgaat met de werkelijkheidsbeleving en hoe volgens hem een dichter dit moet oproepen in zijn werk. Het is interessant dat hij spreekt over het dichterschap, want in zijn beginnersperiode is de dichtkunst het summum. Dit citaat sluit heel nauw aan bij zijn visie op het realisme. Zien en rapporteren wat er gezien is, en dit op zo’n manier doorgeven aan het publiek dat zij het ook beleven, schuilt in de realistische agenda.

 

"Het heeft lang geduurd voor ik besefte wat het betekent een dichter te zijn.  Het betekende te zien. Maar let op, zien op zulke manier, dat wat hij ook gezien mag hebben, precies op dezelfde manier door het publiek gezien wordt. Net zoals de dichter het zag. Maar alleen als hij het meegemaakt heeft, kan hij op die manier zien en kan het ook aanvaard worden als wat hij gezien heeft. En het geheim van de moderne literatuur schuilt precies in deze ervaringen die men meegemaakt heeft. Alles wat ik geschreven heb, in de voorbije tien jaar, heb ik geestelijk meegemaakt."

De kinderjaren van Ibsen en zijn eerste werk

Ibsen is geboren in Noorwegen, niet zo ver van Oslo, wat in die tijd nog Kristiania heet. Zijn vader is een koopman, maar hij gaat al snel failliet. De familie heeft het erg moeilijk; ze moeten plots verhuizen en worden achtervolgd door schuldeisers. Ibsen komt al heel snel tot het besef dat hij kunstenaar moet worden. Zijn moeder schilderde en ging veel naar het theater met hem. Hij probeert een studie, maar die levert niet veel op. In 1846 wordt zijn eerste en tevens onwettig kind geboren. Ibsen verhuist niet veel later naar de hoofdstad en probeert er te schrijven en doet aan journalistiek.

Al snel schrijft hij niet alleen poëzie, maar denkt hij er ook aan om theaterteksten te schrijven. Het theater van dat ogenblik wordt in verzen neergeschreven. Zo leunt het aan bij poëzie en verwerft het enige status. Maar het schrijven van die tijd wordt ook beïnvloed door politieke problemen. Ibsen schrijft in deze eerste periode historische stukken in verzen. In 1848 schrijft hij, nog onder een pseudoniem zijn eerste volwaardige stuk. Het speelt zich niet af in Noorwegen, maar gaat over de Romeinse rebel Catalina die in het oude Rome een opstand pleegde en zo een revolutie ontketent. Dit verhaal is nauw verwant met de politieke gebeurtenissen van de negentiende eeuw.

En dan schrijft hij De grafheuvel van de soldaat, dat in 1850 opgevoerd wordt. Het wordt amper drie keer gespeeld.  Een nieuwe schrijver moet zijn weg zoeken en Ibsen kiest er dan ook voor om zich in te zetten voor de nationalistische beweging van de Noren tegenover de Denen. Hij gaat naar Bergen en komt terecht in het ‘Norske Theater’. Zij willen de Noorse identiteit gestalte geven, maar op dat ogenblik worden er geen Noorse stukken geschreven en schrijven alle Noren in het Deens. Dit theater heeft als opdracht romantisch- nationalistische stukken in het Noors te schrijven. Ibsen doet dit en schrijft in het totaal vier stukken, onder andere geïnspireerd door de Noorse folklore en de geschiedenis.

1852 is een belangrijk jaar voor Ibsen. Hij krijgt geld om een studiereis te maken en hij reist van Denemarken naar Duistsland. Hij reist vier jaar rond in Europa en het buitenland wordt zeer belangrijk voor hem. In 1857 wordt hij directeur van ‘het Noorse theater’. Toch leeft hij in armoedige omstandigheden en moet hij ook zijn vrouw Suzannah Torensen en hun zoon Sigurd onderhouden. Op hetzelfde ogenblik gaat ook het theater failliet en hij moet ergens anders gaan werken. Hij kiest voor het ‘Kristianatheater’.

Ibsen verkent Europa

Een nieuw theater betekent niet meteen een andere schrijfstijl. Ibsen blijft namelijk in dezelfde traditie als voordien schrijven: De Vikings van Helgoland of De Mededingers naar de kroon. Het zijn ook nu weer historische stukken. Dit beantwoordt ook aan de algemene tendens in Europa, met bijvoorbeeld een Victor Hugo die alleen maar historische stukken op rijm schrijft.  

Maar de stukken die hij dan schrijft kennen geen succes wat hem doet besluiten rijke vrienden in te schakelen. Zo steunt bijvoorbeeld ook Bjornson hem, die later zelf een Nobelprijs krijgt. Ibsen krijgt van de regering de mogelijkheid om weer naar het buitenland te reizen.  Hij grijpt deze kans met beide handen en zal uiteindelijk 27 jaar in het buitenland verblijven. Hij woont hoofdzakelijk in Rome en een heel lange periode in München.  Het beeld van Ibsen als echte Noor moeten we dan ook bijstellen: hij was altijd in Europa. Hij kon dus eigenlijk neerkijken op de situatie van de Noorse burger en vond dat zijn land erg bekrompen was.

Toch  is zijn vaderland nooit veraf in zijn stukken. Hij mag dan wel in Rome wonen en werken, zijn stukken gaan allemaal over Noorwegen. Hij betrekt zijn impressies over het buitenland dus nooit in zijn werk. In 1866 schrijft hij Brand, waar hij voor het eerst echt succes mee oogst. Brand is een stuk waarin we thema’s van zijn latere werk al kunnen aanschouwen. In de setting van valleien, bergen en fjorden plaatst Ibsen zijn symbolische tragedie over een priester die zijn principes volgt. Het is iemand die al de rest opzijzet voor zijn gedachtegoed en dat de grootste kwaliteit vindt. Hij is dus blind voor menselijk gedrag. Hij zal vrouw en kind verliezen. Het stuk gaat over principes tot in het uiterste worden toegepast. Dat is eigenlijk de tragedie van de onbuigzame wil. Het stuk eindigt in de bergen, waar Brand omkomt in een lawine. Dit beeld van een allesvernietigende lawine zullen we nog een paar keer terugzien in het werk van Ibsen.

Peer Gynt en De Keizer en de Galileeër

In 1867 begint Ibsen proza te schrijven. Een stuk uit die tijd is Peer Gynt. Peer Gynt is een reflectie over het wezen van de Noor, wat vertaald kan worden naar het wezen van de mens. Er zijn twee grote delen in het stuk. Het eerste deel speelt zich af in Noorwegen. Het gaat over een zoon, Peer Gynt, en zijn moeder. Peer Gynt wordt verliefd op Solveig. Maar hij gaat de bergen in. Hij komt er trollen tegen en hij zal bijna trouwen met de trollenprinses. Uiteindelijk keert hij toch terug naar zijn dorp en treft daar zijn stervende moeder aan. Het lijkt op een happy-end uit te draaien als hij zijn geliefde terugvindt. In het tweede deel is Peer Gynt ouder. Hij trekt als koopman de wijde wereld rond. Hij is nu eens in Marokko, dan weer in Egypte. Het zijn tableaus die telkens iets illusteren. Toch verbinden de elementen zich in de thematiek van de koopman en het materialisme. Peer Gynt toont een gebrek aan moraal, zo verkoopt hij bijvoorbeeld slaven. Maar op zeker ogenblik gaat hij terug naar huis. Hoe dichter bij het vaderland, hoe meer hij zichzelf afvraagt wie hij nu eigenlijk is. Ibsen beschrijft dit in het beeld van een ui dat hij ziet als een symbool van zijn wezen. Een ui kan je schillen, pel na pel na pel. Maar kom je bij een ui ooit tot een kern? Peer Gynt is een man zonder kern. De visie op Noorwegen, want Peer Gynt belichaamt niet één persoon, is dus eerder negatief. Ibsen kiest ervoor om deze realiteit te verzachten met romantische sprookjeselementen.

Dan schrijft hij opeens een heel ander stuk. In 1873 verschijnt De Keizer en de Galileeër. Hij wil hier iets vertellen dat steunt op de geschiedenis. De geschiedenis die hij kiest, is een conflict dat zich in 4 n.C.  afspeelt in Constantinopel. Er ontstaat dan een conflict tussen de heidense keizer Julianus  en de Galileeër.  De heiden en de Christen willen alle twee winnen. We weten door de geschiedenis dat de Christenen gewonnen hebben. Maar Ibsen verkiest de levenswijze van de keizer, die staat voor het genot, de schoonheid en het plezier, boven de religie. De conclusie van dat stuk luidt dan ook dat het een mislukte kans was voor de Europese beschaving. We kunnen de personages van De Galliër en Brand met elkaar verbinden. Het stuk is heel moeilijk op te voeren, want het is heel lang en Ibsen beschrijft de folteringen in detail. Het zou een Hollywoodfilm kunnen zijn met tempels en dansers. Maar deze tekst rondt wel goed de eerste periode van Ibsen af. Waarin hij de geschiedenis bekijkt en iets wezenlijk wil vertellen over de situatie waarin hij zich bevindt.

Ibsen en het realisme. Nora en Hedda.

Ibsen beslist dan om iets anders te doen. Hij vindt dat hij over het heden moet praten. Over situaties in de hedendaagse maatschappij en hij ontwerpt hiervoor een nieuwe vorm van proza: hij laat de mensen praten op een manier die geloofwaardig is. Geen poëtische trucs. Het zijn mensen die het publiek elke dag kan tegenkomen. Die verhouding staat in verband met mijn eerste citaat: het kijken naar de dingen en de mensen. De toeschouwer moet kunnen zeggen ‘ja, zo zijn de mensen’.

Deze vorm van schrijven is nieuw in zijn tijd, want toen vierde het melodrama hoogtij. De grote man die dat toen beoefende was Scribe. Men noemt het ook wel ‘goedgemaakte stukken’. Het stuk heeft een weloverwogen structuur en is goed geconstrueerd met verassingen, brieven en identiteitsverwisselingen. Het is een soort mechaniek. Toen was het populair, maar nu worden die stukken niet meer opgevoerd. Toch niet meer in de oorspronkelijke vorm, want nog elk jaar worden melodrama’s opgevoerd in de opera.

De vernieuwing die Ibsen doorvoert is dat hij geen gebruik maakt van deze theatrale trucs maar wel van de vorm van het melodrama. Zo begint Nora ook met de eerste scène waarin alle karakters zich ontspinnen, maar er doet zich iets voor wat het evenwicht verstoort. Als dat geheim eindelijk openbarst in de familie, is het drama compleet. Je ziet dus dat het verhaal werkt als een mechaniek terwijl bij Ibsen de mensen wel praten en zich gedragen zoals in de werkelijkheid van het salon. Dat wordt gezien als een grote vernieuwing in de context van het realisme. Het realisme is dan ook de grote beweging aan het einde van de negentiende eeuw.

Maar laat ons Nora even van dichtbij bekijken, omdat dat toch één van de belangrijkste werken is van Ibsen. Het verhaal begint met Nora die haar huishouden moet redden omdat haar man ziek is. Ze hebben geen geld en hij moet naar Italië om te genezen. Ze kan alleen aan geld komen door de handtekening van haar stervende vader te vervalsen. Dat staat zwart op wit op papier en komt dus uit. De echtgenoot van Nora is razend, want hij is nu een beroemd bankkier en wil zijn status niet verliezen door een fout van zijn vrouw. De echtgenoot kalmeert omdat hij weet dat het niet zal uitkomen, voor hem is de kous af. Maar Nora is niet vergeten wat hij haar allemaal verweten heeft. Ze zegt dat ze zich als een pop voelt en dat ze zich eigenlijk nooit heeft afgevraagd wie ze zelf is. Het stuk eindigt met Nora die de deur achter zich dichttrekt.  De man blijft alleen achter.

Het stuk zorgde voor veel ophef omdat het enkele taboes uit de maatschappij in beeld bracht. Een scheiding was toen niet voor de hand liggend . Een vrouw die haar man op zijn nummer zet, was ook nog nooit vertoond in het theater. Maar het meest voor de borst stotend was het feit dat een moeder haar kinderen in de steek liet. Het stuk werd dan ook erg vaak verboden. Ibsen raakte hierdoor in financiële problemen en herschreef het stuk. Wanneer Nora nu weggaat, gaat de deur toch weer open en zegt Nora: “Mijn kinderen kan ik niet in de steek laten”. Van dan af wordt dat stuk zeer veel gespeeld. En zelfs nu voert men de tweede versie nog op.  Toneelgroep Amsterdam heeft de eerste versie van Nora bijvoorbeeld nog gespeeld met Halina Reijn in de hoofdrol. Toch vinden velen dat de thematiek van Nora voorbijgestreefd  is. Het beeld van moeder aan de haard is verouderd en ook het realisme krijgt men vandaag niet meer verkocht.

Ibsen ontmaskert heel vaak de patriarch. Dat was iets wat hij in gang heeft gezet en dat een lange geschiedenis heeft. Ook in De Demonen (1881) dreigt dit terugkerende element. Een vrouw wordt weduwe en ze wil haar man eren. Hij is een prachtig voorbeeld voor het dorp waarin hij woonde. Zijn zoon, een kunstenaar, keert terug naar het dorp. Dit zet de ontmaskering van de gestorven man in gang. De zoon wordt ziek en zal langzamerhand waanzinnig worden. De zoon gaat ten onder aan de zonden van de vader. Want die vader had eigenlijk syfilis en nu komt de syfilis over op zijn zoon. Ibsen sluit dit stuk af met het beeld van een moeder die haar zoon verzorgt en beseft dat ze in een leugen heeft geleefd.  Ook dit stuk is een schandaalstuk. Het verliest een deel van zijn actuele toepasbaarheid in het begin van de twintigste eeuw wanneer er een medicijn tegen syfilis gevonden is.

Ook Hedda Gabler toont het verlies van de man. Zij speelt altijd met de revolvers van haar vader en droomt van fantastische mannen zoals hij. Langzamerhand voelt  ze zich gevangen door al de mannen om haar heen. Wanneer ze voelt dat ze niet zelfstandig meer kan zijn, wil ze op  een heroïsche manier uit het leven stappen. We zien de fierheid van deze vrouw, maar ook de mannen die niet altijd voorbeeldig zijn. Hoe deze vrouw met te veel eisen, te veel verlangens naar  perfectie, aan dat verlangen ten onder gaat. Het leven, dat is de stelling die ze poneert, is belachelijk.

Ondanks alle schandalen die Ibsen veroorzaakte, wordt hij verdedigd door alle regisseurs in Europa. Één van de grote regisseurs in Duistland was toen Georg Von Meiningen. Hij wordt ook wel de eerste echte regisseur genoemd. En hij voert Ibsen op in Duitsland. Hij had graag ‘het volk’ op de scène. Hij regisseerde het op zo’n manier dat iedereen versteld stond van het realisme van de beweging van het volk op de scène. In Frankrijk heb je Antoine, de grote avant-garde in Frankrijk toen. Ibsen behoorde  tot de avant-garde van zijn tijd. We zien dat de vooruitstrevende regisseurs de stukken van Ibsen opvoeren, ze botsen altijd met de omgeving, want men schrijft eigenlijk voor de toekomst. Als er dan negatieve reactie komt, vindt men dat goed.

Het sociaal-politiek werk van Ibsen

Ibsen is internationaal beroemd en schrijft vanaf 1890 sociaal-politieke stukken. We kunnen stellen dat dit de derde en laatste periode is in zijn schrijverscarrière, een sociale-politiek periode. De sfeer in Europa verandert, zeker op artistiek gebied. Het realisme krijgt kritiek en in het laatste decennia van de negentiende eeuw komt het symbolisme op. Er zijn nog zo veel belangrijkere dingen om over te schrijven dan ‘tonen wat je gezien hebt’. Men gaat meer met symbolen werken, let meer irrationele dingen. Voor ons is de grote symbolist Maeterlinck. Maeterlinck haatte Ibsen, maar Ibsen bewonderde Maeterlinck.

Zo volgt Ibsen het voorbeeld van Maeterlinck en schrijft hij De vrouw van de zee rond 1880. De zee heeft iets magisch. De vrouw is geobsedeerd door de zee, door de zee en de zeeman. Avontuur en passie, tegenover haar leven met haar echtgenoot en de dagelijkse realiteit. De vrouw wil ontsnappen uit het dagelijkse en verliest zich in het poëtische ‘van de zee houden’.

In dezelfde traditie schrijft Ibsen ook De kleine Eyolf in 1895. Het gaat over een koppel dat gebukt gaat onder schuldgevoelens. Ze bedreven immers de liefde op de keukentafel, waren onvoorzichtig waardoor hun zoon valt en kreupel wordt. En ook hun zoon, Eyolf, is aangetrokken tot de zee. Hij ontmoet een ‘rattenvrouw’, volgt haar en verdrinkt in zee. De rest van het stuk gaat over de smart en schuld en over hoe men hieruit probeert te geraken.

In 1899 schrijft Ibsen Als wij doden ontwaken. Hij behandelt allerlei thema’s die we ontmoet hebben en die hem bezighielden. Het hoofdpersonage is een kunstenaar, mogelijks beschrijft Ibsen hier zichzelf. Doordat de man zijn leven aan de kunsten heeft gewijd, heeft hij de liefde verloochend. Nu hij oud is vraagt hij zich af of dit de moeite was. Een tweede  personage is een natuurmens, het omgekeerde van de intellectueel, die in bergen en fjorden rondloopt. Het stuk eindigt in de bergen. Beide mannen verlangen naar het andere. De bergen kunnen we symbolisch benaderen: het is een plek waar men uit zichzelf kan treden. We leven als doden en we zullen ontwaken als we de berg beklimmen. De kunstenaar trekt met zijn verloofde de bergen in. Voor ze het weten is er een grote lawine en komen ze om. Je ziet dat Ibsen steeds op zoek is naar iets om het alledaagse te overstijgen, maar hij plaatst het nooit in een godsdienstige context. Als wij doden ontwaken is zijn laatste stuk. In 1900 krijgt Ibsen een beroerte. Hij probeert het alfabet opnieuw te leren, maar hij kan niet meer schrijven. In 1906 sterft hij en krijgt hij een staatsbegrafenis. 

Uit heel zijn oeuvre springt naar voren dat Ibsen de burgerlijke maatschappij waarin hij zich bevond, ontoereikend vindt. Ze zit vol conventies en leugens. Je moet streven naar de waarheid. Die vindt hij niet in de burgerlijke maatschappij. Hij looft dan ook vaak het grote individu. Het individu dat tegen die conventies ingaat. We kunnen een anarchistische toon opmerken in zijn werk. Ibsen heeft zich nooit bij een partij aangesloten. Maar hij was wel geëngageerd in de stukken die hij schreef. Dat was de dialoog die hij met de maatschappij had. In het buitenland zag men hem dan ook als een grote, progressieve schrijver, die de realiteit beschreef zoals hij die geestelijk meegemaakt had. 

Ook interessante producties: