nl fr en

De Eerste Golfoorlog

Een persoonlijk relaas van ooggetuige Rodaan Al Galidi

De Iraakse schrijver Rodaan Al Galidi vluchtte in 1998 naar Nederland, waar hij asiel aanvroeg. Het asiel werd hem geweigerd en als uitgeprocedeerde mocht hij geen lessen Nederlands bijwonen. Al Galidi leerde zichzelf dan maar de Nederlandse taal en begon te schrijven. In 2007 kreeg Al Galidi alsnog een verblijfsvergunning in Nederland.

 

“Ik maakte twee Golfoorlogen mee, de een van binnenuit, de andere zag ik vanuit Nederland. Hier zal ik schrijven over de Eerste Golfoorlog, die ik van binnenuit meemaakte. Daarbij wil ik vooraf wel opmerken dat de Tweede Golfoorlog, die ik vanuit Nederland volgde, gevaarlijker was, omdat ik de kans had niet alleen de bloederige geboorte van de oorlog te zien, maar ook haar media-lijke sperma en haar politieke ei. 

Al in 1988 was de Iraans-Iraakse oorlog geëindigd. Dat einde bood geen oplossing, want angst, verdriet, verlies en armoede vielen op Irak als een zware, donkere, ingestorte tent. Ik herinner me dat ik op een ochtend een van mijn broers hoorde roepen: ‘Wakker worden! Word wakker!” Daarna hoorde ik de luide, enthousiaste stem van de nieuwslezer op de staatsradio, zoals hij alleen klonk aan het begin en aan het einde van een oorlog. 

“Irak is Koeweit binnengevallen!”, riep mijn broer. 

Het was een raar begin van een oorlog. Geen sirenes, geen luchtalarm, geen raketten. En het allervreemdst: geen soldaten die vochten aan de grenzen van Koeweit of in Koeweit zelf. Ze gingen er gewoon binnen, zonder slag of stoot. Het was een oorlog zonder oorlog. En dat begrepen we niet, het was niet alleen voor mij vreemd, maar voor iedereen.

Aanvankelijk merkten we dus niet veel van de oorlog, maar ik weet nog dat ik de volgende vrijdag naar een oude man ging die tweedehands boeken verkocht voor een goede prijs. Ik kwam vaak in zijn winkel in de Al Sa’adoen-straat. Al jaren we geen verkoper en klant meer, maar twee lezers. Hij zat achter een tafel vol boeken, omringd door kasten vol boeken. Hij keek naar mij over zijn leesbril heen. “Deze Barbarossa zal Irak vernietigen”, zuchtte hij. Ik wist niet wat Barbarossa betekende en hij legde uit dat het de aanval op Rusland was die uiteindelijk het einde voor Hitler betekende. “Je zou kunnen zeggen dat Irak als land eindigt.” Op een volksmarkt waar ik heenging voor de gezelligheid, die lijkt op de zondagsmarkt in Antwerpen, waar je kon eten, kanaries kopen of Nike-schoenen, veranderde eerst ook niet veel, maar al snel werden er meer en meer spullen aangeboden die uit Koeweit waren gestolen. Ik zag zelfs Koeweitse paspoorten. Voor een klein prijsje, want wie wil er nu een paspoort van een verdwenen land? 

Zoals iedereen was ik ook in de war in die tijd. In Koeweit leek er geen oorlog te zijn, maar er was een andere oorlog bezig, nog zwaarder en gevaarlijker. Een oorlog die geen lijken achterlaat, maar angst. Dat was de oorlog van de propaganda. 

In die tijd was het verboden voor Irakezen om een schotelantenne te hebben en via een satelliet andere televisiezenders te ontvangen dan de Irakese. Het luisteren naar buitenlandse radiozenders mocht eigenlijk ook niet, maar het kon wel. 

Wij hadden altijd twee radio’s. Eentje die hard aanstond bij de voordeur en eentje zachtjes bij de achterdeur die het nieuws uit andere landen bij ons binnenbracht. Eerder, tijdens voorgaande oorlogen, was het nieuws uit de radio bij de voordeur het meest angstaanjagend geweest, want dat vertelde over de aanvallen van het Iraakse leger, maar bij deze oorlog was de zachte radio de gevaarlijkste. Daar hoorden we hoe gevaarlijk Irak was voor de wereld. We hoorden dat Irak maar twee of drie minuten nodig had om de hele wereld in brand te zetten met haar massavernietigingswapens en dat Irak zelfs wapens had die al het leven op de hele planeet zou kunnen laten uitsterven. 

Via de zachte radio hoorden we dat Irak wapens had om de hele wereld te vernietigen en dat Saddam koppig was en zeker zou vechten en die wapens zou gebruiken. Aan de andere kant zeiden de media dat Amerika het zeker niet zou nalaten te vechten voor de vrijheid van Koeweit. Wat mij in de war bracht was: is het bevrijden van Koeweit belangrijker dan de wereld?

Wat alles nog verwarrender maakte was dat Irak Amerikaanse films als propaganda gebruikte tegen de supermacht van Amerika. Nog steeds herinner ik me dat de films van Rambo een paar keer per dag herhaald werden op de staatstelevisie, waarin Rambo won tegen hele legers. Ik herinner me dat de geheime dienst eens een man oppakte die dronken in de straten riep dat Rambo niet had gewonnen door Allah en niet door meneer de president, maar door de spieren die hij trainde in Amerika. Hoe gevaarlijk de situatie toen ook was, zo dom en grappig was het eigenlijk ook. 

Tijdens de oorlog tussen Irak en Iran hoorden we van de soldaten die terugkwamen van het front hoe vreselijk de oorlog was, maar de soldaten die vanuit Koeweit terugkwamen met verlof, vertelden dat het leven in Koeweit bijna normaal was. Het enige wat er was veranderd waren de nummerplaten, die niet meer Koeweits waren, maar Irakees. Dat was raar, dat soldaten rust brachten. Tot de Eerste Golfoorlog echt begon.

Ik was in Bagdad. Het grootste deel van mijn familie vluchtte naar het zuiden van Irak. Ik was gebleven om met een van mijn broers te zorgen voor mijn schoonzus die hoogzwanger was. We hadden een koelkast volgestouwd met genoeg eten voor een maand en we hadden een paar liter benzine in de auto om met mijn schoonzus naar het ziekenhuis te kunnen rijden bij een noodgeval. 

Van de ene op de andere seconde trilde de aarde. Ik viel op de grond. De aarde zakte onder mij weg, liet mij hangen tussen hemel en aarde en beukte daarna in op mijn hele lichaam, alsof het geen aarde was, maar een vuist. Ik kroop angstig naar buiten. In de tuin was het hetzelfde. Daar herinnerde ik me dat mijn schoonzus ook naar buiten gebracht moest worden, en ik rende weer naar binnen. Het huis was verworden tot stof, gebroken glas en ingestorte muren, muren die het aan het begeven waren of waarvan je dacht dat ze elk moment zouden instorten. 

Een man kwam ons smeken om benzine omdat zijn vrouw geraakt was door een kogel. We konden de darm waarmee we de benzine konden overhevelen niet vinden en gaven hem de sleutel. De auto vertrok en wij bleven daar bij de zwangere vrouw. Een soldaat parkeerde zijn jeep naast ons huis. We smeekten hem om weg te gaan, bang dat de jeep doelwit zou vormen voor een bom. Alsof de Amerikanen konden zien waar jeeps en uniformen waren… Maar we waren bang. Iedereen was bang. De soldaat vroeg ons om gewone kleren en eten. De inhoud van de volle koelkast was intussen gesmolten doordat de elektriciteit was uitgevallen. We gaven hem kleren en eten. Hij ging en liet de jeep staan. We gooiden alles wat we hadden op de jeep, zodat het niet kon worden gezien, en toen de weeën van mijn schoonzus begonnen, was de jeep de enige mogelijkheid om mee in het ziekenhuis te geraken. We gooiden alles er weer van af wat we er eerder opgegooid hadden en scheurden weg met achterin mijn zwangere schoonzus. Ik ga niet vertellen wat we onderweg zagen. Daarvoor bestaan niet de juiste woorden. De brug die ons over de Tigris moest brengen was gebombardeerd. Gelukkig waarschuwde iemand ons, want sommige auto’s vielen in het water omdat ze door rook, haast en angst niet zagen dat de brug er niet meer was. Het rijden in de jeep was gevaarlijk. Als we vanuit de lucht werden gezien door de Amerikanen waren we een doelwit en als de mannen van Saddam ons zagen, zouden ze denken dat we de chauffeur hadden gedood en de jeep gestolen. Bij het ziekenhuis rende ik naar binnen om een brancard te halen. Het was er donker. De gang lag vol lijken. Ik rende terug naar de jeep en zei tegen mijn broer dat we terug naar huis moesten. 

Nu maak ik een sprong in de tijd naar het meest beangstigende dat ik zag, niet alleen in die oorlog, maar in mijn hele leven. Ik zwierf van afvalbak naar afvalbak, op zoek naar iets om te eten voor mijn schoonzus, zodat zij haar dochtertje kon voeden. Maar ik kon niets eetbaars vinden. Letterlijk niets. Ik keek op en zag… Het voelde alsof het leven op aarde geëindigd was. Het Donker. Letterlijk het donker kwam van ver op ons af. Ik bleef als aan de grond genageld staan kijken naar die scène, waarover ik alleen in religieuze boeken had gelezen bij de passages over het einde van de wereld. Ik was niet bang, maar gewoon leeg. Een leegte waarvan ik nog steeds niet begrijp hoe die in een mens kan zijn. Ik bleef maar staan, tot mijn broer aan kwam rennen met een zak. Hij gooide me een sla toe. “Eet man, er is nog veel meer daarachter”, zei hij. Hij zag er niet bang uit. “Als we denken dat we konijnen of schapen zijn, kunnen we de komende tijd heerlijk leven!”, riep hij.

“Kijk naar daar”, zei ik en wees naar het duister dat ons naderde. Hij lachte. “Ik hoorde op de radio dat Saddam de olievelden in de fik heeft gestoken voor hij uit Koeweit wegging en dat de rook Bagdad bijna bereikt heeft.” Meteen begon ik van de sla te eten. Niet als een konijn, maar als honderden konijnen. 

Mijn broer stak de twee batterijtjes voor de kleine radio er maar af en toe in om het nieuws te horen, zodat ze niet te snel zouden opraken. Die twee batterijtjes vertelden ons toen meer over de oorlog dan hemel en aarde. 

Eén toevoeging nog aan mijn verhaal: het meisje dat werd geboren in die donkere dagen heet Amani. Dat betekent hoop. Amerika en Irak zijn voor mij doodgegaan als landen. Maar Amani, inmiddels een jongedame, leeft nog.” 

Ook interessante producties: